Yvonne Zonderop: ‘In plaats van de zoveelste podcast maken kun je beter nadenken over je bestaansrecht op de lange termijn’
In de rubriek Wijze Woorden vertellen gelouterde journalisten wat ze in de loop der jaren hebben geleerd over hun werk. Dit keer journalist en bestuurder Yvonne Zonderop: ‘Ik heb geleerd dat je nooit te snel moet oordelen en dat tegenslagen je kunnen helpen om te groeien’.
‘Een vriend van mijn vader werkte in de jaren 60 als journalist bij het Algemeen Dagblad. Hij kwam een keer langs en vertelde over zijn werk. Ik hoorde dat en dacht: dit wil ik ook. Ik was een jaar of 10. Daarna heb ik nooit meer over een ander beroep getwijfeld.’
Nico Haasbroek kan de pot op, ik ga gewoon aan mijn volgende jaar beginnen
‘Op de School voor Journalistiek in Utrecht was ik op zoek naar een stageplek. Nico Haasbroek gaf het vak radiojournalistiek en hij bood aan om met hem mee te lopen. Hij werkte toen veel samen met Feike Salverda, maar die twee kregen het met elkaar aan de stok. Ik zat daar als stagiair tussen en dat was zo stressvol dat ik na twee maanden ben gestopt. Toen schreef Nico aan mijn stagebegeleider dat ik niet geschikt was voor het vak. Ik heb de hele zomervakantie geworsteld met de vraag of ik moest doorgaan, maar dacht toen: Nico Haasbroek kan de pot op, ik ga gewoon aan mijn volgende jaar beginnen. Van die episode heb ik geleerd dat je nooit te snel moet oordelen en dat tegenslagen je kunnen helpen om te groeien, want daarna heb ik nooit meer aan mezelf getwijfeld.’
‘Op mijn 21ste werd ik hoofdredacteur van Koopkracht, het maandblad van het inmiddels niet meer bestaande Konsumenten Kontakt. Ik kan je vertellen: het is best leerzaam om een stuk van zes pagina’s over erwtensoep te schrijven.’
‘Op de politieke redactie van de krant Het Vrije Volk voelde ik me helemaal thuis. Ik kwam erachter dat ik mijn werk het liefst in volledige onafhankelijk doe en dat kon daar. Ik wil de vrijheid hebben om van inzicht te kunnen veranderen.’
Ik keek het monster in de bek en overwon mijn angst
‘Als jonge politieke verslaggever zat ik op vrijdag bij de persconferenties van toenmalig premier Lubbers. Die man sprak echt abracadabra, ik begreep er helemaal niets van. Op de eerste rij zaten alle journalistieke big shots, mensen als Kees Lunshof en Max de Bok. Ik zat achterin en dacht: ik moet toch ook een keer iets vragen. Ik raapte al mijn moed bij elkaar en stelde met kloppend hart en rood hoofd een vraag. Ik weet nog dat het antwoord totaal langs me heen ging. Maar de keer daarna deed ik het weer en daarna weer. Ik keek het monster in de bek en overwon mijn angst. De mannen op de eerste rij zagen dat ook en speelden mij daarna regelmatig de bal toe. Zo werkt dat.’
‘Marilyn Monroe zei ooit: “Ik was niet de knapste of de meest getalenteerde, ik wilde het gewoon liever dan ieder ander.” Ik herken veel in die uitspraak.’
‘Als werkende vrouw stond je in de jaren 80 al bij voorbaat met 1-0 achter. Toen ik over financieel-economische onderwerpen schreef vroegen twee CDA-politici zich af of een klein meisje als ik al die moeilijke cijfers wel begreep. Ik stelde voor dat ze een maand lang Het Vrije Volk zouden lezen. Als ze me op een fout zouden betrappen, hoefden ze nooit meer met me te praten.’
‘Als je je verplaatst in de schoenen van gewone mensen dan komen de verhalen vanzelf. Dat heb ik altijd voor ogen gehouden en die houding heeft me op mijn 30ste de Anne Vondelingprijs voor politieke journalistiek opgeleverd.’
‘Ik was overgestapt naar de Volkskrant, maar na een tijdje deed Het Vrije Volk-hoofdredacteur Gerard Krul een poging mij terug te halen. Op een zondagochtend kwam hij bij mij langs. Hij pakte een vaatdoekje, begon de witte vloer in mijn huis te soppen en zei: “Kijk, dat doet Harry Lockefeer [toenmalig hoofdredacteur van de Volkskrant, red.] niet voor jou”.’
‘Je moet voorzichtig zijn met grote veranderingen. Het Vrije Volk veranderde radicaal van koers waardoor de krant trouwe lezers van zich vervreemde en uiteindelijk ten onder ging. Die les heb ik meegenomen toen ik bij de Volkskrant adjunct-hoofdredacteur werd.’
‘Als adjunct bij de Volkskrant kreeg ik begin deze eeuw het internet onder mijn hoede. Niemand wist precies wat de impact daarvan zou zijn. Er was een dotcom-bubbel geweest en die was ook weer uit elkaar gespat – dat was zo’n beetje de stand van zaken. In 2001 ging ik naar een congres in New Orleans en daar heb ik een inzicht opgedaan dat mij nooit meer heeft verlaten: het internet heeft ervoor gezorgd dat de machtsbalans tussen journalisten en hun publiek fundamenteel is gewijzigd. De tijd dat wij journalisten het monopolie op informatie hadden, is voorbij. Het was een inzicht dat tijdens die conferentie als een soort flits tot mij kwam.’
‘Wat is een journalist eigenlijk? Dat is een stuk onduidelijker in de wereld van internet en sociale media. Zelf weet ik het antwoord op die vraag ook niet precies maar de kern is voor mij een open, nieuwsgierige houding waarbij je altijd vragen blijft stellen, meerdere perspectieven laat zien en je kunt verplaatsen in anderen. Journalisten zouden over deze vraag met elkaar en met hun publiek in gesprek moeten gaan. Voor je publiek moet glashelder zijn welke functie je vervult. Is dat niet duidelijk, dan verlies je je legitimiteit.’
‘Ik hoor te veel mensen om me heen twijfelen aan het vakmanschap van journalisten. Dan lezen ze iets in de krant en zeggen ze: tja, zou kunnen wat daar staat, maar het zou ook niet kunnen. Ik vind dat zorgelijk.’
Door mijn rol als toezichthouder kom je soms aan de andere kant te staan en dat zijn niet altijd positieve ervaringen
‘Het is ontzettend leuk om bestuursfuncties te vervullen, zoals bij de Stichting Democratie en Media. Het houdt me wakker en vanuit mijn ervaring heb ik ook daadwerkelijk iets toe te voegen.’
‘Publish and be damned is best een mooi principe, maar helaas is niet iedere journalist een Woodward of Bernstein. Door mijn rol als toezichthouder kom je soms aan de andere kant te staan en dat zijn niet altijd positieve ervaringen. Sommige onderzoeksjournalisten horen iets en gaan dan door roeien en ruiten om dat aan te tonen terwijl het in de werkelijkheid allemaal net een slag anders ligt.’
‘Heb ik over tien jaar nog een baan? Bestaan kranten dan nog wel? Journalisten maken zich grote zorgen over AI en andere ontwikkelingen die het vak bedreigen, zo maken ze duidelijk tijdens sessies die wij met Stichting Democratie en Media organiseren. Ze vinden het fijn om die zaken met elkaar te bespreken. Tegelijkertijd constateer ik dat ze in de dagelijkse praktijk te weinig reflectie inbouwen om met deze vragen aan de slag te gaan. In plaats van de zoveelste podcast maken kun je beter nadenken over je bestaansrecht op de lange termijn.’
‘Rond mijn 50ste ben ik gaan freelancen en dat is een heel goede stap geweest. Ik kwam in allerlei bestuursfuncties terecht en dat is me goed bevallen. In september word ik 69, maar voorlopig ga ik nog wel even door. Mijn werk is nog steeds een heerlijke manier om mijn nieuwsgierigheid te bevredigen. Ik ben nu eenmaal iemand die altijd wil weten hoe het zit.’
Yvonne Zonderop (Den Haag, 1955) begon haar journalistieke carrière bij het blad Koopkracht van Konsumenten Kontakt. Daarna werkte ze bij Het Vrije Volk (1982-1990), de Geassocieerde Pers Diensten (1990-1995) en de Volkskrant, waar ze tussen 1995 en 2003 in de hoofdredactie zat. Op dit moment vervult ze verschillende bestuursfuncties. Ze is voorzitter van de Raad van Toezicht van Stichting Democratie en Media, lid van de Raad van Toezicht van Instituut Clingendael en lid van de UNESCO Commissie Nederland. Incidenteel schrijft ze nog voor De Groene Amsterdammer. Zonderop is getrouwd en heeft twee kinderen.


Praat mee