We moeten Binnenhof dankbaar zijn
Er was veel kritiek op de berichtgeving over de vliegtuigcrash in Tripoli en de eenmalige uitgave Binnenhof. Ook de berichtgeving over het aftreden van Jack de Vries kon volgens sommigen de toets der kritiek niet doorstaan. Wat mij als buitenstaander treft, is dat de media zelf in hun discussies daarover niet boven de kwesties uitstijgen door deze in een groter verband te plaatsen.
Naar mijn mening zeggen de incidenten niet zozeer iets over de beroepsethiek en het zelfreinigende vermogen van de media. Dat is volgens mij prima in orde. Het zegt wél iets over het gebrekkige zelfbeeld en wereldbeeld van de samenleving als geheel.
Ik wil hier dus niet de beslissing van De Telegraaf om foto’s en een gesprek met een minderjarig gewond jongetje te publiceren nogmaals langs de meetlat leggen. Het had voor mij niet gehoeven, maar het incident is als fenomeen interessant. Daar zou de discussie sterker over moeten gaan. Het gaat mij om het bredere rumoer wat klinkt over de media waarbinnen dit en de andere incidenten passen.
De klacht aan het adres van de media, over de volle linie van krant tot televisie tot internet is dat zij verhypen, zoeken naar sensatie en de inhoud schuwen. Men verslaat niet objectief en beschaafd en men interpreteert dat niet helder in aanvullende analyses en opiniestukken. Nee, men maakt nieuws en zoekt dat wat het publiek graag hoort en dat aandacht, lezers en kijkers genereert en men schuwt daarbij niet de grenzen van de privacy. Er is dus een klacht en de beklaagde zijn de media die er een degraderende beroepsethiek op nahouden en die niet meer leveren wat we gewend waren.
Ik zou de stelling willen poneren dat deze klacht onterecht is omdat symptomen met oorzaken verwisseld worden. Een klacht bestaat uit twee delen: een observatie en een beschuldiging. Het ene deel van de klacht, de observatie dat er wat verandert is juist.
Ook kan men zich met recht de vraag kan stellen of media niet over de schreef gaan. Het punt is echter dat de journalistieke beroepsgroep, niet willens en wetens in gebreke blijft.
Het tweede deel van de klacht, namelijk de beschuldiging aan het adres van de media is onterecht. De media zijn te vergelijken met de bestuurder en inzittenden van een doorsnee auto die terecht is gekomen op een hobbelige en bochtige weg die daalt met een helling van 60% terwijl 10% al veel is. Dat men dan uit de bocht vliegt ligt aan het ontwerp van de auto en aan de weg over dit krankzinnige terrein. Het ligt niet, of in elk geval niet alleen, aan de bestuurder.
De ongeschikte auto is ons mens- en wereldbeeld dat permanent aangepast moet worden aan nieuwe inzichten en veranderende omstandigheden. Een belangrijk
element ervan is, in de Nederlandse situatie, het verdwijnen van de
levensbeschouwelijke zuilen van katholieken, protestanten in alle soorten en maten, humanisten en andere groepen. Een proces dat in een stroomversnelling kwam in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Het hangt samen met het ontstaan van de postmoderne samenleving waarin er geen fundamenten meer gevonden kunnen worden in god, in een politiek systeem, in onszelf.
De ontzuiling heeft de media aan de ene kant bevrijd uit de beknelling van religieuze of politieke zuil. Een bloei van opiniebladen was het gevolg. Aan de andere kant heeft het de media beroofd van een uitgangspunt voor reflectie. Hetzelfde geldt voor het publiek. We moeten zelf nadenken nadat we dat honderden jaren systematisch hebben afgeleerd en het voor ons gedaan werd. De geschiedenis leert dat dergelijke processen tientallen jaren vergen.
Dat gebrek aan training wreekt zich op het moment dat het wat minder gaat en de vertrouwde evidenties afbrokkelen. Bijvoorbeeld omdat de economie kwakkelt, omdat de politiek versplintert, omdat het energie- en grondstoffenvraagstuk ons consumentenparadijs bedreigt. We zoeken steun, we willen terugvallen op de vertrouwde media voor duiding. Maar die hebben wat anders aan hun hoofd, namelijk het onmogelijke terrein waarop ze zich bevinden in het ongeschikte voertuig. Vier ontwikkelingen maken het terrein levensgevaarlijk.
Het eerste is de toename van het volume aan nieuws. Dit is het gevolg van globalisering en van technische ontwikkelingen als digitale camera’s, mobiele telefoons en internet. Er komt aanzienlijk meer informatie op de media af. Het filteren, prioriteren en duiden is een enorme klus, die bovendien in seconden moet worden verricht. De live-uitzending moet door, de nieuwssite moet elke 5 minuten ververst!
Het tweede is dat de media als eerste geconfronteerd worden met afwijkende normenstelsels die niet genegeerd kunnen worden. Libië wilde met de beelden van Ruben laten zien hoe modern haar ziekenhuizen waren uitgerust, de media in Nederland hadden heel andere intenties. Een culture clash.
Het derde is dat, wederom, de technische ontwikkeling veel nieuwe kanalen creëert waarop verslaglegging en duiding aangeboden kan worden. Complicerend is dat die elk hun specifieke presentatie en stijl van schrijven vragen. En in het nieuws van vandaag wordt niet meer de vis van morgen verpakt, maar foto’s en namen blijven tot in het oneindige met één druk op de knop oproepbaar, of het nu gaat om het interview uit De Telegraaf of de vakantiefoto’s van een gestorven soldaat in Afghanistan.
Het vierde is het verdienmodel. Adverteerders en abonnees zijn de belangrijkste inkomstenbron voor veel media, dat geldt in het bijzonder voor de kranten. Adverteerders vinden nieuwe wegen voor hun uitingen, consumenten verwachten meer en meer dat het nieuws gratis tot hen komt. De media die ervan afhankelijk zijn moeten dus zoeken naar nieuwe verdienmodellen.
Samenvattend, onzekere ontzuilde media moeten onder onzekere bedrijfseconomische omstandigheden op meer kanalen meer en moeilijker te duiden nieuws verslaan. Een onmogelijke opgave. Het is een wonder dat er überhaupt nog leesbare kranten worden volgeschreven en interessante actualiteitenprogramma’s worden gemaakt.
Als er dus een verwijt gemaakt kan worden aan een groep, dan is dat de groep van omstanders die naar de media kijken. Die omstanders horen de piepende banden niet en ruiken de verbrandende remblokken niet. Ze denken alleen boos: wat doen die lui in dat autootje raar, waarom drukken ze hun gezichten tegen de ruiten en toeteren ze zo hard? Waarom brengen ze niet wat we gewend zijn?
Die omstanders dat zijn wij, het publiek. Wij maken een rel over Tripoli uit eigen onzekerheid over wat de journalistiek doet. De ‘fouten’ die de media maakt zijn de boodschap die men onbewust vertelt. Ik bedoel daarmee dat het gedrag van de media en de veroordeling daarvan door publiek en collega’s veel belangrijker is dan de kwesties zelf.
Het zijn symptomen van veel grotere bewegingen in de samenleving. De vraag is dus: waarom winden we ons niet over deze grotere kwesties op, en wel over ‘wat doen de media fout’.
Ik zou in die zin de uitgave Binnenhof niet als riooljournalistiek willen zien maar als een poging de ethisch zoekende samenleving hard te raken. Als iedereen klaagt dat Den Haag niks doet is de vuilniszak misschien wel het laatste redmiddel nog wat te weten te komen.
Binnenhof is daarmee op twee manieren de ultieme spiegel. Daar mogen we dankbaar voor zijn want wij rijden ook op die helling van 60%. Tijd dus om dát in te zien voor we de boodschapper als schuldige aanwijzen, tijd ook om zelf een andere auto aan te schaffen, dat wil zeggen, het wereldbeeld te verruimen.
Dr. Bas van Vlijmen is ongebonden onderzoeker, schrijver en kunstenaar. De hier gepresenteerde visie komt deels voort uit het project REBOOT waarover deze week het boek Erasmus en de vrij val in de techniek verschijnt bij Uitgeverij 010.


Praat mee