Taaltip: zwoer / zwoor / zweerde
Wat is de verleden tijd van zweren: zwoer of zwoor? Of is het zweerde?
Dat hangt af van de betekenis van zweren. Goed zijn:
Ze zwoer dat ze alles zou doen om een faillissement te voorkomen. (zweren = ‘plechtig beloven’)
De teennagel zwoor en deed erg pijn. (zweren = ‘etteren’)
In beide betekenissen is de zwakke vervoeging zweerde ook (officieel) juist.
Zweren - zwoer = ‘plechtig beloven’
Als zweren ‘plechtig beloven, een eed afleggen’ betekent, zijn de verledentijdsvormen zwoer - gezworen juist:
Ik zwoer dat ik de brief op tijd zou posten.
De edelen hadden trouw gezworen aan de koning.
Zweren - zwoor = ‘etteren’
Zweren in de betekenis ‘etteren’ (bijvoorbeeld van een wond), heeft als verledentijdsvormen zwoor - gezworen:
Doordat de wond zwoor, kreeg hij koorts.
Mijn teen heeft gezworen en ziet er nog steeds lelijk uit.
Zweren - zweerde
Naast de sterke vervoegingen zwoer en zwoor, komt ook de zwakke vervoeging zweerde geregeld voor:
Ik zweerde dat ik de brief op tijd zou posten.
Doordat de wond zweerde, kreeg hij koorts.
Zweerde staat in beide betekenissen ook in de officiële woordenlijst en is daarmee dus officieel juist. Toch zijn de sterke vervoegingen voor veel mensen beter.


Praat mee