Niveau mediakritiek valt tegen
Onder sociale wetenschappers lijkt het de laatste jaren bon ton om ‘de media’ er flink van langs te geven, vooral over de politieke verslaggeving. Kritiek op de journalistiek is niet erg, sterker, van goede kritiek kunnen journalisten allen maar beter worden. Maar helaas valt het niveau van de mediakritiek, ook die vanuit de wetenschap, vaak tegen.
Het essay ‘Mediacratie en politiek populisme’ van socioloog Dick Pels op de website van De Journalist van 7 februari is daar een goed voorbeeld van. Het staat bol van van generalisaties en vooroordelen, en veel stellingen zijn niet of nauwelijks onderbouwd.
In mijn boek ‘De Communicatieoorlog’ stel ik dat er in de wetenschap en advieswereld sprake is van een papegaaiencircuit, waarbij slecht onderbouwde kritiek al jaren lang wordt herkauwd. Pels voegt zich met zijn artikel in deze trend. Hij heeft een - zacht gezegd - nogal eendimensionale kijk op wat politieke journalistiek is. Met ‘de media’ bedoelt hij vrijwel uitsluitend de televisie, in het bijzonder (praat)programma’s als Pauw en Witteman en Het Elfde Uur, en Den Haag Vandaag, waarbij zijn focus ligt op presentator Ferry Mingelen.
Dit zijn volgens Pels de mensen die ‘het politieke debat regisseren’, ‘mediasterren’ die mensen ‘kunnen maken en breken’, en ‘beroemder zijn dan de mensen die bij hen aan tafel zitten’. Afgezien van de afgunst die hieruit spreekt en van de vraag of je Jeroen Pauw of Andries Knevel journalisten kunt noemen, getuigt dit van een blinde vlek voor andere media, zoals kranten, radio en internet.
Een andere constante in de mediakritiek is dat de ergernis over het feit ‘de media’ de politieke agenda kunnen bepalen. Voor de goede orde: de politieke agenda wordt nog altijd voor het overgrote deel bepaald door in beton gegoten afspraken in coalitieakkoorden. Op het beperkte resterende deel hebben media inderdaad enige invloed, en dat leidt kennelijk tot onbehagen.
Hier lijken de critici zich te identificeren met politici en bestuurders die het inderdaad niet makkelijk hebben (wie zei dat regeren makkelijk moet zijn?) en zich opgejaagd voelen. Maar de schuld wordt veel te gemakkelijk bij ‘de media’ gelegd: de journalisten drijven de arme politici in het nauw door hun ‘jacht op onthullingen en primeurs’, om ‘persoonlijk te kunnen scoren’. Ze richten zich vooral op ‘het strategische spel om de macht en de conflicten en schandalen die daarmee gepaard gaan’. (Het oorzakelijke verband tussen machtsspel en schandalen ontgaat me, maar dat terzijde.)
Het dedain druipt ervan af, maar wat is er eigenlijk mis met jagen op onthullingen en primeurs? Of heeft Pels liever dat journalisten de persberichten van de overheid braaf afwachten en overschrijven? Los van de vraag of het waar is dat de mediafocus verschuift naar het spel om de macht (er zijn onderzoeken die dat weerleggen) is dit een merkwaardig verwijt: streven naar macht is een essentieel onderdeel van de politiek; als je je politieke doelen wil realiseren, helpt het wel als je macht hebt.
Pels signaleert een opkomst van ‘interpreterende en wantrouwende’ journalistiek, waarbij de journalist het ‘altijd beter lijkt te weten dan de politicus’. Doelt hij misschien op Frits Wester, die soms onnavolgbare politieke besluiten aan zijn kijkers probeert uit te leggen? En waaruit blijkt dit wantrouwen? Of verwart hij die misschien met (gezonde) scepsis?
En dan dat hardnekkige vooroordeel, dat je ook tegenkomt bij andere vertolkers van de ‘medialogica’: de concurrentie heeft ervoor heeft gezorgd dat marktaandeel en kijkcijfers voor de pers een doorslaggevende rol zijn gaan spelen. Wie één dag op een nieuwsredactie heeft rondgelopen, zal weten dat dit klinkklare nonsens is, zeker voor de politieke journalistiek. Journalisten proberen in te schatten wat van belang is voor hun lezers/kijkers/luisteraars en proberen die informatie zou duidelijk mogelijk over te brengen. Dat ze daarbij zoveel mogelijk mensen proberen te bereiken is alleen maar prijzenswaardig.
De vertolkers van deze mediakritiek lijken zich er ongemakkelijk bij te voelen dat de pers in het gat is gesprongen dat door functieverlies van de politiek is ontstaan. Dat verlies komt mede doordat de politiek (met name de regeringspartijen) zichzelf sinds de jaren negentig deels overbodig heeft gemaakt door de handen van allerhande zaken af te trekken, en het contact met een groot deel van de burgers heeft verloren.
Dat journalistieke media, die overigens ook het contact met een deel van de samenleving hadden verloren, proberen dat gat te dichten door meer de agenda van de burgers voorop te stellen, kan ze moeilijk worden verweten. Dat ze hun bevindingen vervolgens aan de politiek voorleggen wordt echter als bijzonder lastig ervaren - alsof ze de politici van hun werk houden. Sommige politici hebben er moeite mee dat ze langs deze weg met maatschappijkritiek worden geconfronteerd, en verwijten ‘de media’ dat ze ‘zo negatief’ zijn (zie de tirade van premier Balkenende tijdens de Dag van de Verantwoording, mei 2008).
In een goed functionerende democratie zou een kritische pers worden gekoesterd. Dat dat in Nederland steeds minder het geval is zegt meer over de stand van de democratie dan over de pers. Het bestuur in Nederland (en degenen die zich daarmee identificeren) is onzeker, en wie onzeker is, voelt zich al snel bedreigd. In zo’n beleving ontstaat het gevoel het dat een journalist die doorvraagt, omdat hij merkt dat een minister niet het achterste van zijn tong laat zien, die minister ‘er inluist’, zoals Pels het noemt. Dat Pim Fortuyn pas na doorvragen zei dat hij artikel I van de Grondwet wilde schrappen is geen manipulatie, maar goed journalistiek handwerk. Als hij het niet had gevonden, had hij het niet gezegd. Wie in dit verband van ‘cynische nieuwsjagers’ spreekt, zoals Pels doet, heeft niet helemaal begrepen wat de rol van de pers in een democratie is.
De ongefundeerde kritiek dat het politieke bestuur wordt bedreigd door agressieve media is door politiek en voorlichting dankbaar aangegrepen om een tegenoffensief in te zetten. Controle van de informatiestroom is daarin het sleutelwoord. Zie bijvoorbeeld de oekaze van de nieuwe woordvoerder (een ex-journalist, nota bene) van minister Cramer, dat beleidsambtenaren van Vrom niet meer met de pers mogen praten. De gedachte is dat wie de informatiestroom beheerst, ook de burgers kan controleren.
De nieuwe overheidsvoorlichting bestrijdt de journalistiek met wapens uit de reclamewereld. Niet langer staan informeren, toelichten en verduidelijken voorop, maar overtuigen. Overheidscommunicatie is meer en meer pr geworden, soms zelfs propaganda. Daarin past de benoeming van politiek gekleurde woordvoerders. Daarin past ook het openen van een eigen kanaal met propagandafilmpjes op Youtube door Defensie.
Informatie die goed is voor het imago wordt graag vrijgegeven, liefst exclusief aan één medium, mét een interview met de bewindspersoon, zodat die in het zonnetje kan worden gezet. Wat minder goed in de pr-strategie past, komt steeds moeilijker beschikbaar. Niet voor niets is de komst van een ruimhartiger Wet Openbaarheid van Bestuur afgeblazen.
Overheidsinformatie is ten principale van de burgers, schreef de staatscommissie Overheidscommunicatie (commissie-Wallage) ooit. Maar de overheid denkt daar zelf anders over: als een Dagobert Duck zit ze op de stukken en alleen zeer vasthoudende en slimme journalisten (die er gelukkig nog zijn) krijgen die te pakken.
Als rechtvaardiging wordt aangevoerd dat politiek en overheid in de verdrukking zijn gekomen, onderliggende partij zijn, en moeten terugvechten. Niet voor niets gebruikt Pels de term ‘terugmanipuleren’. Maar de analyse dat de pers te veel macht heeft gekregen deugt niet; hier is vanuit existentiële angst een vijandbeeld geschapen om in de aanval te kunnen gaan.
De macht van de overheid is veel groter dan die van de pers. Zij beschikt over de informatie, en journalisten (en burgers) moeten maar zien dat ze daar bij komen. Ja, het is wat drukker geworden in politiek Den Haag (overigens vooral door camera’s), en ja, de pers is af en toe lastig. Maar dat was ze ook (en misschien nog wel veel meer) in de jaren zeventig en tachtig, en toen hadden politici geen leger aan voorlichters en spindoctors nodig.
Waarom nu wel? Omdat niet de pers het probleem is, maar het bestuur. Dat lijdt aan een ernstig gebrek aan zelfvertrouwen en denkt dat met pr en controle te kunnen herwinnen. De pers intussen wordt eerder zwakker dan sterker. Wie het slagveld in de mediawereld ziet, zou zich ernstige zorgen moeten maken over de kwaliteit van de journalistiek. Als politici, geholpen door wetenschappers, intussen het werk van de resterende journalisten alleen maar moeilijker maken, mag je je zorgen gaan maken over het functioneren van de democratie.
Frits Bloemendaal is chef redactie bij de GPD en auteur van het boek De Communicatieoorlog.


Praat mee
5 reacties
Hans Roodenburg, 12 februari 2009, 13:33
De boodschapper van kritiek op kritische journalisten moet weer onthoofd worden. Frits, waarom ben je zo gauw op je teentjes getrapt? Kun je al niet meer relativeren?
Mijn mening: journalisten moeten niet denken dat ze belangrijker zijn dan politici. Ze moeten wel tussen partijen gaan staan en daarvan naar eer en geweten onafhankelijk verslag uitbrengen. Hun mening (en retoriek) moeten ze bewaren voor hun eigen opinies onder eigen verantwoordelijkheid.
guus slim, 13 februari 2009, 21:59
Ik heb ‘De Communicatieoorlog’ ook gelezen. Leuk boek, maar ik miste er toch echt de zelfreflectie in.
Het is m.i. van de gekke dat Bloemendaal zomaar even de invloed van ‘kijkcijferjournalistiek’ wegwuift. Ik denk dat Bloemendaal gewoon niet wil erkennen dat er wel dégelijk op marktaandeel, kijk- en luistercijfers en “wat werkt wel en wat niet” wordt blindgestaard.
Ik heb zelf jarenlang in de journalistiek gewerkt, grote redacties, opgeklommen naar leidinggevende functies.
Maar ik ben afgeknapt. Afgeknapt om het feit dat mensen geen kranten meer kopen, en tegenwoordig zelfs opgroeien met het idee dat nieuws gratis dient te zijn (met dank aan de uitgeverijen zélf, die die gratis meuk in de markt zette), wat leidde tot een beangstigende vernauwing van het blikveld van hoofdredacties.
Die weer wekelijks met de zweep krijgen van de uitgevers (die het niet totaal niet vreemd vindt dat zijn gratis krant zijn betaalde kranten kannibaliseert) terwijl de adverteerders de advertentieverkopers kunnen afknijpen door in de goedkopere, gratis ramsjkrant te gaan staan die immers een veel grotere oplage heeft.
Hoofdredacties gingen, uit angst voor eigen baan, steeds meer met oogkleppen op de wereld bezien. Bleek dat nieuws over een bepaalde bekende Nederlandse artiest kapotgelezen werd door een doelgroep (die later overigens niet interessant bleek voor adverteerders), dan verdrong het nieuws over die artiest steevast het andere nieuws op eerste pagina’s. Tot vervelens toe, zelfs tot klagens toe van lezers. Maar het verkocht, en daar ging het om. Op de redactie Politiek werd al snel bezuinigd, ten faveure van fte’s bij Entertainment.
Bij andere media vergelijkbare verhalen aan de lopende band meegemaakt. Walgelijk. Zelfs Geenstijl gooit zo vaak als men kan een artikel over modellen als Doutzen Kroes op de site, omdat dat veel kliks oplevert.
Nova belt mensen af omdat het onderwerp inhoudstechnisch toch te moeilijk uit te leggen is, of omdat het conflict dat die ochtend sluimerde, in de middag opgelost bleek te zijn - terwijl het inhoudelijke verhaal razend interessant is. (Vraag PvdA-voorzitter Ploumen maar waarom zij werd afgezegd door Nova.)
Onderwerpen worden niet op de journaals gebracht omdat er na lang speuren alsnog géén ruzie bleek te zijn tussen die-en-die-minister. Dat de ruzie ging om een beslissing van leven of dood, daar werd niet eens over nagedacht.
En zo verder. Maar nu, deze komende maanden, gaat de hel pas echt losbreken. Want het zal duidelijk worden dat zelfs met mega-oplages en hoge kijk-, luister- en klikcijfers de advertentieinkomsten structureel gaan inzakken.
Maar het zal even duren voordat men dat doorheeft. En dus wordt er meer gesneden op de redacties Politiek en Buitenland, en komen er meer mensen bij op Entertainment en Vrije tijd, enz enz
En dan de mensen die (nog) worden aangenomen! Oudere voorlichters klagen steen en been over de ‘kwaliteit’ van de vaak jongere journalisten die hen tegenwoordig bellen. Rapporten lezen doen ze niet meer, hooguit de eerste twee alinea’s van de samenvatting, en dan meteen bellen en bijna eisen dat de voorlichters het hele rapport nog even in Jip en Janneke-taal uitleggen.
Reporter in microfoon: “Ik heb dit en dat vernomen uit de krant. Is dat zo?”
Voorlichter: “Nee, dat is niet zo.”
KLIK, quootje gehaald, recorder uit, een “dank je wel, hé!” met een grijns, en terug naar de redactie.
Ik stond er zelfs naast toen een journalist aan een doorgewinterde voorlichter mompelend vroeg: “En, heb je nog wat?”
En natuurlijk had de voorlichter nog wat…!
Maar ja, Bloemendaal zit kennelijk veilig in zijn nieuwsdienst-bunker, en ziet dat allemaal niet. Ga nu maar eens een jaar of vijf op vijf verschillende redacties werken, doe Gunter Wallraff maar eens na en schrijf daarover nog een boek. Je schrikt je kapot.
Alexander Pleijter, 16 februari 2009, 10:24
Frits, ik ben het met je eens dat het stuk van Dick Pels bol staat van de generalisaties, maar jouw stuk is hetzelfde verwijt te maken. Op basis van dit ene stuk van Pels maak je de generalisatie dat de wetenschap het op de journalistiek heeft gemunt.
Ik vermoed dat je stelling niet is gebaseerd op een gedegen bestudering van de wetenschappelijk literatuur over ‘de media’. Anders zou je vermoedelijk niet tot de conclusie zijn gekomen dat wetenschappers louter negatieve kritiek hebben op ‘de media’.
Neem het onderzoek van Kleinnijenhuis, Oegema en Takens dat afgelopen week werd gepresenteerd op het Etmaal van de Communicatiewetenschap. Ze deden onderzoek naar de veelgehoorde bewering dat in de media sprake is van ‘personalisering’ van de politiek (steeds meer aandacht voor personen ipv partijen). Na een analyse van 15 jaar berichtgeving komen zij tot de conclusie dat er geen sprake is van een eenduidige trend naar meer personalisering.
Zulk onderzoek bewijst hoe nuttig het is dat er wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar de media. Veelgehoorde kritiek op de media kan regelmatig genuanceerd of zelfs weerlegd worden.
Het idee dat de wetenschap louter negatief is over de journalistiek komt wellicht doordat vooral kritiek op de media de publiciteit haalt. Zelfs in een vakblad als De Journalist wordt niet structureel aandacht besteed aan het vele onderzoek dat wordt gedaan naar de journalistiek en de media. Dat is spijtig omdat er redelijk wat onderzoek is waar journalisten wat aan zouden kunnen hebben, bijvoorbeeld omdat er onderzocht wordt of er inderdaad sprake is van trends naar meer sensatie, personalisering, etc.
Pieter, 18 februari 2009, 20:36
Kijkcijferjournalistiek, wat een heerlijk monomaan woord. De aller-, aller- allerergste journalistieke hoererij is natuurlijk te vinden op internet. Scoren telt, direct terug te vinden in site- of nedstat, en natuurlijk moet je je gratis shit ook nog elders verhoeren: bij Nu, bij GeenStijl, bij MSN, als het maar kliks oplevert. En als dat niet genoeg is: ongecontroleerde shit van je bezoekers, onder de naam ‘user generated content’. En als dat niet genoeg is: ‘eigen’ ‘unieke’ content, liefst bloedige beelden of andere boulevardblad-ellende. Dat alles onder aanvoering van ‘managers’ die zeggen dat ze ‘journalistiek onderlegd’ zijn, maar die feitelijk alleen voor zo weinig mogelijk geld zoveel mogelijk adverteerruimte hopen te slijten.
Het toppunt: nieuwslezer Rick Nieman die een cursus bij Nyenrode aanprijst/verzorgt. Boeken van Jeroen Akkermans die op de website van RTL Nieuws ruimschoots worden aangeprezen. Onafhankelijke journalistiek? Natuurlijk meneer! Wij zijn heel integer, de hele weg naar de bank!
Jan, 19 februari 2009, 14:00
Ligt het misschien aan mij, maar in deze zin mis ik toch echt zelfreflectie: “In mijn boek ‘De Communicatieoorlog’ stel ik dat er in de wetenschap en advieswereld sprake is van een papegaaiencircuit, waarbij slecht onderbouwde kritiek al jaren lang wordt herkauwd.”
Met alle opmerkingen over die kritiek op ‘de media’ zou je toch verwachten dat er hier had kunnen staan; In mijn boek ‘De Communicatieoorlog’ stel ik dat er, net als in de media -over de gehele breedte- is in de wetenschap en advieswereld sprake is van een papegaaiencircuit, waarbij slecht onderbouwde kritiek al jaren lang wordt herkauwd….
tv, radio, (niet gratis)kranten etc. zijn vooral goed in her- en uitkauwen, de journalistiek laat te vaak en teveel te wensen over.