Mark Deuze over ‘ziekmakend geluk’ in de media
Hoe komt het toch dat professionals in de media zo worden uitgebuit en uitgewoond en er tóch mee doorgaan? Die vraag staat centraal in het nieuwe boek van UvA-mediaprofessor Mark Deuze. ‘Ineens had ik door dat mijn onderzoek al die tijd al over welzijn ging.’
Wanneer Mark Deuze als mediawetenschapper weer eens een acteur, muzikant of journalist interviewde, was het vrijwel altijd de eerste vraag die hij stelde: ‘How do you make it work?’ Steevast volgde er een antwoord over de worstelingen, het tegen een burn-out aan zitten of daar net uit zijn en de frustraties over de onderwaardering en de directies en managers die het voor zichzelf wél goed geregeld hebben. Vervolgens ging het interview verder, over de inhoud van het werk, de waarde ervan en de rol van de mediaprofessional in de maatschappij.
Er ging bij Deuze pas een lampje branden toen er twee dingen samenkwamen. Hij deed onderzoek naar de beroerde werkomstandigheden, zoals hoge werkdruk en lage baanzekerheid, bij zijn eigen Universiteit van Amsterdam. Maar ook de rest van de academische wereld. Ondertussen kwam er in de media steeds meer aandacht voor grensoverschrijdend gedrag, machtsmisbruik en de positie van kwetsbare groepen. ‘Ineens drong tot me door dat mijn onderzoek al die tijd al ging over welzijn.’
En met dat welzijn is het dramatisch gesteld, constateert Deuze onomwonden. Dat kan hij stellen omdat er de laatste jaren in binnen- en buitenland heel wat vragenlijstonderzoeken zijn uitgevoerd door beroepsverenigingen, vakbonden, non-profits en netwerkorganisaties. Dit begon na de wereldwijde economische crisis die in 2008 losbarstte en intensiveerde tijdens de coronapandemie. Het beeld dat oprijst uit de onderzoeken: stressstoornissen, depressie en suïcidaliteit komen meer voor onder mensen in mediaberoepen (journalistiek, reclame, film en tv, games, muziek en sociale media) dan onder de algemene bevolking.
Vooral onder starters, zelfstandigen, vrouwen en minderheden. Zo’n twee derde van de mediaprofessionals geeft aan dat het werk een negatieve impact heeft op hun gezondheid en welzijn. Als oorzaak wijzen ze vaak naar de managementstijl, productiecultuur, werkdruk en arbeidsomstandigheden.
Regelmatig plaatst Deuze stukjes op LinkedIn uit zijn te verschijnen boek ‘Well-Being and Creative Careers: What Makes You Happy Can Also Make You Sick’ en nog nooit heeft hij zoveel reacties ontvangen uit het werkveld. Het leeft. Pas nog nam hij op het Nationaal Filmfestival deel aan een sessie over ongezond werken. ‘Een filmmaker stelde tijdens dat gesprek: “Dit is de ervaring van mijn laatste 25 jaar geweest”.’ Dit soort reacties hoort Deuze vaker. ‘Veel professionals hebben constant productie gedraaid, altijd het gevoel gehad dat ze het voor de lol deden, maar ergens klopte het niet. Veel te hard gewerkt, altijd onzekerheid, van alles ervoor gelaten, en waarvoor? Die ontluistering komt nu terug in talloze studies.’
Is het dan een illusie dat we het als mediamakers voor ons plezier doen?
‘Het voor je plezier doen is authentiek. Maar die nadruk daarop fungeert ook als een manier om net te doen alsof de slechte, ziekmakende dingen er niet echt zijn. Intrinsieke motivatie is ook een coping mechanisme - een manier om ermee om te gaan.’
En die omstandigheden zijn niet nieuw, zeg je?
‘Nee, de arbeidsomstandigheden van tegenwoordig zijn echt niet zoveel beter of slechter dan twintig, veertig, tachtig jaar geleden. Het is het bewustzijn dat veranderd is, door een cocktail van verklaringen. Door die economische crisis raakten er veel banen verloren en belandden mensen in de problemen. Vervolgens was er Metoo, Black Lives Matter… En daarnaast zijn er nieuwe vormen van collectieve organisatie via sociale media. In Nederland heb je natuurlijk die prachtige campagne “tegen de bakker” gehad die het zelfbewustzijn onder zelfstandigen vergrootte. Zo van: tegen de bakker zeg je ook niet dat je zijn brood voor niks wil omdat je iedereen gaat vertellen hoe lekker zijn broodjes zijn.’
Je kiest er bewust voor om in je analyse de verschillende mediasectoren bij voorkeur samen te rapen. Waarom?
‘Alle studenten die in de media willen werken, of het nou in de PR is, in Hollywood of de redactie van de NRC, ze willen allemaal hetzelfde: zo autonoom mogelijk hun eigen verhalen vertellen. Daarom vind ik die mensen ook vaak de leukste mensen om mee te praten, want die hebben een soort vuurtje, een heilige overtuiging. Bij andere mensen zit dat vuurtje vooral in hobby’s, kinderen of de wielrenfiets. Mediaprofessionals hebben het toch vaak over een way of life.’
Is dat ook meteen onze kwetsbaarheid? Dat we zó graag dit werk willen doen en daardoor gemakkelijk te misbruiken zijn?
‘Daar zeg je wat… Ik las deze week een rapport van een Australische beroepsorganisatie in de muziekindustrie: Support Act. Het concludeert dat hoe meer je puur creatief bezig bent, hoe slechter je behandeld en betaald wordt. En dat geldt voor alle creatieve industrieën. De passie is ook de achilleshiel.’
Is het dan echt zo simpel, dat we zo romantisch ingesteld zijn en zo van ons werk houden dat we ondanks alles weigeren te stoppen of een grens te trekken?
‘Ja, dat is de killer-vraag. Een paar jaar geleden verscheen er een boek over de muziekwereld in Engeland, met als titel “Can music make you sick?” Zij stellen een vraag die we ons in de journalistiek ook kunnen stellen: geven we niet te veel mensen de illusie dat ze van hun creativiteit hun werk kunnen maken? Is creativiteit niet prima om lekker voor jezelf te doen?’
Een beetje zoals bij voetbal: een handjevol wordt er rijk van en de overgrote meerderheid betaalt gewoon contributie…
‘Ja precies.’
Tekst loopt door onder de illustratie (TRIK).

Maar aan de andere kant, ons vak is voor de maatschappij van belang en er wordt ook gewoon flink geld verdiend. Maar zodra de auteur van een diepgravend stuk of een boek fatsoenlijk betaald wil worden kan het ineens niet uit.
‘Dat is ook zo en daardoor klopt het niet. Dat er zoveel mensen in de rij staan om dit werk te doen is al snel een vrijbrief om mensen slecht te belonen voor hun werk. Die disbalans tussen wat mensen aan het werk geven en wat ze ervoor terugkrijgen is de kern van het probleem.’
Terwijl je óók hoort hoe hopeloos redacties en uitgevers op zoek zijn naar goede makers. En toch krijgen ze het voor elkaar dat wij amper onderhandelen omdat we bang zijn dat ze iemand anders nemen.
‘En als je eenmaal binnen bent hoor je steeds dat je dankbaar mag zijn op je blote knietjes. En als je vrouw bent zit er met een beetje pech de hele tijd een vervelende vent naar je decolleté te kijken – en je krijgt sowieso minder betaald voor je werk dan mannelijke collega’s. Als je toevallig moslim of van kleur bent word je nog steeds regelmatig aangesproken als vertegenwoordiger van een hele cultuur. Dan is het niet gek dat écht nieuw talent net zo snel verdwijnt als het binnenkomt. Deze draaideurcultuur werkt in alles door.’
Wat bedoel je daarmee?
‘Bijvoorbeeld dat er in de media veel progressieve, geëngageerde mensen werken maar het ondertussen een sector is die het maar niet lukt om meer divers te worden. Innovatie gaat ook moeizaam. Voor mij is het duidelijk dat dit niet komt doordat alle werkgevers een stelletje racisten zijn of dat mediawerkers zo conservatief zijn. Er heerst ontzettend veel angst om het verkeerd te doen, om niet in de pas te lopen. Dus alles gaat vooral veilig: volgens het protocol, het format, de verwachtingen en de informele hiërarchie.’
Je analyse stemt somber, maar juist die overeenkomsten tussen de omstandigheden waarin de verschillende mediaprofessionals werken bieden volgens jou ook een deel van de oplossing. Op welke manier?
‘Het uiteindelijke antwoord op dit alles is solidariteit. Alleen door solidariteit en collectieve organisatie krijg je iets voor elkaar. Het is al een ding dat je nu filmorganisaties in verschillende landen met elkaar ziet praten over een pan-industriële standaard voor gezonde werkomstandigheden. Of journalistieke vakbonden die samen optrekken. Het tweede is om die clubs ook over de beroepsgrenzen heen met elkaar te laten praten en samenwerken.’
Waarom is dat zo belangrijk? Puur omdat je dan sterker staat?
‘Het is meer dan dat – er lopen parallelle processen in alle takken van de media. Neem bijvoorbeeld de wet DBA, gericht tegen schijnzelfstandigheid, die het voor zzp’ers in verschillende mediasectoren moeilijker maakt om eenvoudiger werk, zoals nieuwsdiensten, te combineren met meer autonoom werk. Dat speelt ook in die andere sectoren. En kruisfinanciering gaat vaak over beroepsgrenzen: journalisten die copywriting doen, filmmakers die commerciële video’s voor reclamebureaus maken, game-ontwikkelaars die er IT-klussen naast doen.’
Die kruisfinanciering is ook een vorm van symptoombestrijding: wij lossen het probleem van de uitgever op door onszelf financieel te compenseren met andere klussen…
‘Precies! Daarnaast is er in al die sectoren een debat of je nog wel een authentieke, onafhankelijke maker bent wanneer je dat andere werk ernaast doet. Die discussies zijn heel erg hetzelfde – en zo nutteloos. De oplossing is simpel: fair pay. Betaald worden voor de uren die je echt maakt en serieus genomen worden als ondernemer met een eerlijk deel van de winst als je product een succes wordt.’
Ik moet ook steeds denken aan die ene wijze les van Donald Trump: je moet altijd bereid zijn weg te lopen anders kun je nooit geloofwaardig onderhandelen.
‘Ik las deze week de nieuwsbrief van The Friendly Freelancer, gemaakt door twee freelance journalisten in België. Een van de auteurs gaf twee voorbeelden van artikelen die ze had afgeleverd aan opdrachtgevers. In beide gevallen werden er extra dingen van haar verwacht. De een weigerde extra te betalen, de ander zei meteen “ja natuurlijk, wat zou een valide bedrag zijn?” Haar boodschap was: het is oké om nee te zeggen, om grenzen aan te geven. Ze zei ook dat ze met dat andere blad nooit meer in zee gaat. Dat zouden meer freelancers moeten doen. Maar zo eenvoudig is het helaas ook niet. Vaak heerst er, ook op werkvloeren, een stigma op aangeven dat je iets niet wil. Dat stigma is vaak nog ziekmakender dan het probleem zelf.’
Er zijn ook mensen die zeggen: ons werk is nu eenmaal heel belangrijk en we verwachten een hoog niveau. Dus moeten we ook hard kunnen zijn tegen elkaar. Het Champions League-argument, waarmee Matthijs van Nieuwkerk schermde.
‘Natuurlijk begrijp ik dat er veel van je gevraagd wordt, en dat mensen veel van zichzelf verlangen. Wat in de topsport en het bedrijfsleven normaal is, professionalisering van management, ontbreekt vaak in de media. Je kunt mensen prima laten functioneren door hen te laten doen waar ze van houden en ze tegelijkertijd fatsoenlijk te behandelen. Dan gedijen ze beter én zijn ze gelukkiger. Nu is het zo dat zelfs de mensen die het gemaakt hebben ongelukkig zijn. Ook zij zitten vast in zo’n structuur, moeten voortdurend zichzelf opnieuw bewijzen, ellebogenwerk verrichten. Als zij zich kwetsbaar opstellen worden ze ook onder de voet gelopen.’
Je schrijft ook dat er veelal sprake is van een disbalans tussen inspanning en beloning. Maar is het niet juist zo funest dat we steeds net genoeg beloond worden om te blijven? Je naam onder een artikel, een productie waaraan je hebt bijgedragen, respect van je collega’s…
‘Een heel terechte opmerking. Aan de ene kant is het inderdaad niet zomaar opgelost als iedereen fatsoenlijk betaald wordt. Want voor veel mensen gaat het daar niet over, maar over het gevoel wanneer je met je team iets moois aan het maken bent. Samen die deadline te halen. Dat is waardoor mensen terug blijven komen, soms tegen beter weten in. En daar kun je gemakkelijk een industrie omheen bouwen. Er zijn dan ook twee componenten. Een materiële component: transparantie en rechtvaardigheid wat betreft contracten, salaris en tarieven, pensioenregelingen, zwangerschapsverlof en een gedragscode. Maar ook een emotionele: erkenning, waardering, empathisch en inclusief leiderschap, ruimte om te falen, enzovoorts. Mooie en belangrijke verhalen vertellen maakt makers gelukkig, de manier waarop ze in dat proces behandeld worden maakt mensen ziek.’
Ik denk wel eens: moeten die bedrijven niet wat harder worden aangepakt op hun reputatie? Hun media staan vol met verhalen over misstanden, maar zelf komen ze ermee weg.
‘Er begint een besef te komen – op sommige redacties, bij een enkele platenmaatschappij, in bepaalde game-studio’s en reclamebureaus – dat er glasheldere codes moeten komen wat betreft goed werkgeverschap. Codes waarop bedrijven daadwerkelijk aangesproken kunnen worden. De hoofdredacteuren, de omroepbazen, de bekende gezichten van scherm en tv zou ik willen oproepen zich volledig in te zetten voor het koesteren van talent in plaats van alleen maar bezig te zijn met het behoud van de eigen positie. Mijn vader zei altijd “als je arrivé bent dan is je voornaamste taak voor anderen de deur openhouden”. En dat was ook mijn eerste reactie rondom Matthijs van Nieuwkerk. Waarom gaat die man zich nu niet inzetten voor betere arbeidsomstandigheden en jonge makers kansen geven? Het is goed voor hem, het is goed voor de industrie. En het geeft aan dat dingen anders kunnen. Maar nee, met alle geweld moet hij weer op televisie.
Mark Deuze (1969) is hoogleraar mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam met gastaanstellingen aan de University of Technology Sydney en Northumbria University in Newcastle. Hij studeerde journalistiek aan de Fontys Hogeschool in Tilburg en geschiedenis en communicatiewetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en de Randse Afrikaanse Universiteit in Johannesburg. De focus van zijn onderzoek ligt op de interactie tussen media en maatschappij. Hij publiceerde meerdere boeken. ‘Well-Being and Creative Careers: What Makes You Happy Can Also Make You Sick’ verschijnt in 2025.
Op donderdagavond 17 oktober (19.00-20.30 uur) spreekt Mark Deuze tijdens de UVA Alumniweek over ‘Living a Good Life in Media’. Meer informatie.



Praat mee
1 reactie
Bert van Hijfte, 15 oktober 2024, 13:05
‘Ik denk wel eens: moeten die bedrijven niet wat harder worden aangepakt op hun reputatie? Hun media staan vol met verhalen over misstanden, maar zelf komen ze ermee weg.’
Met het morele vingertje naar anderen wijzen, misstanden blootleggen en verheven verhalen schrijven over hoe het beter kan terwijl de misstanden het eigen kantoor en redactie doordrenken. Een redactie die gemangeld wordt door nobele journalistieke drijfveren en het rendementdenken van de directie. Hoe dan ook, de amoraliteit wordt steeds grotesker. De familie Van Thillo die jaarlijks miljoenen opstrijkt en met meer dan 1,5 miljard euro (bron: De Rijkste Belgen) tot de rijkste families van België horen en journalisten, zowel freelance als in vaste dienst, die een zeer karig salaris krijgen waarvan in Amsterdam niet te leven valt, laat staan dat je er een huis van kunt kopen.