Het buitenland is springlevend
Wie de discussies volgt, kan maar één conclusie trekken: het gaat niet goed met de buitenlandjournalistiek. Er zijn steeds minder correspondenten, die steeds méér gebieden voor hun rekening nemen. Een beetje correspondent doet al snel een half continent. En dan het liefst voor krant, radio, televisie en tijdschrift tegelijk. Uiteraard hebben ze een blog. En het is helemaal mooi als ze foto’s en filmpjes voor de site maken. Maar gaat het echt zo slecht met de aandacht voor buitenland? Het is maar hoe je het bekijkt!, stelde winnaar van de Dick Scherpenzeel-prijs 2008 Tjitske Lingsma in haar lezing.
‘We sluiten de luiken,’ was de toepasselijke titel van het debat dat de NVJ onlangs over dit onderwerp organiseerde. Ik citeer uit het verslag dat op VillaMedia verscheen. ‘Je kunt toch niet zeggen dat we goed op de hoogte worden gehouden vanuit Irak of Afghanistan?’ zei Leon Willems, directeur van Press Now.
Oud-correspondent Wouter Kurpershoek vond het ‘schandalig dat de Publieke Omroep zo weinig geld beschikbaar heeft voor buitenlandse berichtgeving.’ In plaats daarvan, zei hij, wordt het geld versnipperd over heel veel omroepen. Het publiek wil gewoon geen buitenland, zei Brechtje van de Moosdijk, chef bij RTL Nieuws. Volkskrant-chef Paul Brill stelde: ‘Ooit had de Publieke Omroep nog de buitenlandrubriek Panoramiek. Het is veelzeggend dat zoiets er niet meer is.’
Brill maakte overigens een uitzondering voor zijn eigen krant. ‘De budgetten zijn minder. Maar met wat improvisatie is een prima netwerk overeind te houden. De Volkskrant heeft zeventien correspondenten, acht in vaste dienst en negen freelance.’ Hij maakte zich wel zorgen over de Telegraaf, het Algemeen Dagblad en de GPD.
Buitenlandkrimp is geen Nederlands verschijnsel. Twee weken geleden opende de boekenbijlage van NRC Handelsblad met een recensie van Jan Donkers. Hij besprak hierin ‘Journalism’s Roving Eye’. De Amerikaanse hoogleraar John Maxwell Hamilton schetst hierin een inktzwart perspectief van de situatie van de Amerikaanse media. De grootste krant USA Today heeft nog maar drie permanente correspondenten. ‘Heden helaas geen buitenlands nieuws,’ luidde de veelzeggende kop boven de bespreking.
Inmiddels is het in Nederland zo beroerd met de buitenlandberichtgeving gesteld dat een loterij zich zorgen begon te maken. Aan de lijst van goede doelen heeft de Postcode Loterij nu ook de Nederlandse media toegevoegd. Samen met Free Voice heeft de loterij een fonds opgezet.
Het stelt journalisten financieel in staat af te reizen naar verre landen om daarover reportages en achtergrondverhalen voor de gevestigde media te maken. Inmiddels hebben zo’n 35 journalisten een subsidieaanvraag ingediend. Bijna allemaal freelancers met voorstellen voor verhalen voor media als Vrij Nederland, Trouw, De Pers, Elsevier, NRC Next, Volkskrant, EO, VPRO en Nieuwe Revu.
Gaat het echt zo slecht met de aandacht voor buitenland? Het is maar hoe je het bekijkt! Ik belde Emile Fallaux – een man met een lange staat van dienst. U kent hem vast als voormalig hoofdredacteur van Vrij Nederland. ‘Gezeur,’ zei Fallaux. De nestor moest niets van al dat doemdenken hebben. ‘De teloorgang in de journalistiek wordt vaak verward met de moeilijke tijd die de kranten doormaken,’ zei hij. Fallaux, die mij inspireerde voor deze lezing, keek terug en verwees naar de jaren zestig. Toen was het echt uniek als een journalist voor een reportage naar het buitenland ging. Als Herman Wigbold, eindredacteur van de geruchtmakende actualiteitenrubriek Achter het Nieuws, op Schiphol arriveerde, dan werd hij onthaald door collega’s die hem over zijn reis wilden interviewen.
Fallaux maakte zelf mee hoe zeldzaam een standplaats in het buitenland was, toen hij in de jaren zeventig als programmamaker in New York woonde en werkte. ‘Ik was ongeveer de enige,’ vertelde Fallaux. ‘Ik had een telefoon en een telex in de klerenkast.’ Bellen was ook nog eens hartstikke duur.
Misschien waren verhalen over verre landen wel zo bijzonder dat de eerste glossy van Nederland, een blad waar menigeen nog heimwee naar heeft, er naam mee kon maken. In Avenue schreven spraakmakende auteurs over gebieden die toen nog exotische oorden werden genoemd.
Kijk eens hoe ver we sindsdien gekomen zijn. Nederlandse verslaggevers die mazzel hebben worden nu misschien nog afgehaald door vrienden en familie, maar nog maar heel zelden door collega’s. Reizen en wonen in andere landen is zoveel gewoner geworden. Veel kranten, omroepen en tijdschriften stationeerden in de loop der jaren correspondenten in het buitenland.
Gaan dan nu de luiken weer dicht? Het aantal correspondenten schijnt af te nemen. Ook al ben ik eigenlijk wel benieuwd naar de exacte cijfers. Maar hebben we als publiek correspondenten nog wel net zo hard nodig als voorheen? We hoeven maar op een knop te drukken en de wereld komt binnen. Met het juiste kabelpakket en het juiste zoekgedrag kun je niet alleen de BBC World Service krijgen, die je vroeger op een krakende wereldontvanger moest zien te vinden, maar ook Al Jazeera, CNN, Franse, Italiaanse, Duitse én Belgische zenders enzovoorts.
Terwijl ik bezig was met het voorbereiden van deze lezing, luisterde ik naar een onthutsende reportage van Hilary Andersson op de BBC WS over geheime cellen op het terrein van de Amerikaanse luchtmachtbasis Bagram in Afghanistan waar ook een gevangenis is gevestigd. Ze had maandenlang onderzoek gedaan en Afghaanse gevangenen opgespoord die vertelden over hoe ze in deze ‘dark cells’ waren vernederd, mishandeld en in totale afzondering waren gehouden. Ik liep met haar mee terwijl ze Amerikaanse militairen met haar bevindingen confronteerde.
En als er even niks op de kabel te beleven is, zetten we internet aan. Met één click ben ik bij The Independent waar ik het meest intrigerende verhaal over de Thaise roodhemden las. De demonstranten bleken in hun uitstekend georganiseerde kamp zelfs over een vuilnisdienst te beschikken. Als ik nu wil weten wat er in Zuid-Afrika speelt, kan ik naar de site van de Mail&Guardian – die zich aanprijst als de: smart news source. Hier kun je dagelijks lezen hoe het met de macht van president Zuma is gesteld. Voor de stand van zaken in Indonesië, is er de Jakarta Post.Com. Op internet las ik opnieuw het geweldige verhaal over de strijd van de Amerikanen tegen de papaver-business in ‘onze’ provincie Uruzgan dat The NewYorker drie jaar geleden publiceerde.
Kortom, als de Nederlandse media niet genoeg bieden surf ik naar een ander. In een mum van tijd ben ik met internet over de grenzen heen. Hoezeer ik met dat medium leef, bleek toen ik vorige week in een huisje op Texel zat dat tot mijn schrik niet over deze cruciale verbinding met het World Wide Web beschikte. Ik had gelukkig CNN dat me uitgebreider dan de Nederlandse tv-journaals op de hoogte hield van de dramatische ontwikkelingen in Bangkok, het olielek in de Golf van Mexico en de spanningen tussen Noord- en Zuid-Korea.
En dan hebben we er ook nog twitter bijgekregen! Toen Haïti door een zware aardbeving werd getroffen, werden journalisten massaal ingevlogen. Velen hadden geen idee waar ze zich bevonden of waren bang. Ze lieten zich embedden bij militairen of beveiligde buitenlandse reddingsteams. Maar wat hadden we aan hen? De beste informatie, zo vertelde journalist, Haïti-kenner en verwoed twitteraarster Linda Polman, kwam die eerste dagen niet van de gevestigde media, maar van twitter. Haïtianen twitterenden over de verwoesting van hun levens. En vanonder het puin kwamen nog steeds wanhopige twitters van slachtoffers, terwijl het Nederlandse reddingsteam al weer bezig was in te pakken. Weet u nog hoe belangrijk twitter en mobiele telefoons tijdens de demonstraties vorig jaar na de verkiezingen in Iran waren?
Dat is nog lang niet alles. Eens per jaar kan ik naar het IDFA, waar zoveel documentaires en reportages over het buitenland worden getoond dat ik ze lang niet allemaal kan zien. Mogelijk vind u dat een te elitair podium? Vorige week op Texel ben ik ’s avonds met Paul Rosenmöller op reportage in Rwanda geweest, waar hij in een strafkamp als een witte koloniale inquisiteur zwarte daders van de genocide ondervroeg - ben ik met de nieuwe Beagle meegevaren om te ontdekken dat er niet een gigantisch eiland van plastic afval in de oceaan dobbert, maar dat het erger is. Het zijn kleine stukjes die als vermicelli in de oceaan drijven en een plastic soep vormen die door de kleinste visjes opgegeten kan worden – en heb ik bij Reporter van de KRO kennis gemaakt met moedige Russen die mij uitlegden hoezeer Nederland zich compromitteert door uit eigenbelang in zee te gaan met Vladimir Poetin. De man die met een groep getrouwen met ijzeren hand over Rusland regeert. Eerder had ik bij Tegenlicht gezien wat er kan gebeuren als wij door aanslagen worden afgesneden van de toevoer van olie en gas uit landen met dubieuze regimes. Dan wil je gelijk zonnecellen op je dak!
En ….. zou het guerrillameisje Tanja nog altijd leven?
Gaan de luiken dicht? Klagers die treuren over de teloorgang van de buitenlandjournalistiek beweren dat het mede de schuld is van domme quiz-consumenten die alleen maar belangstelling hebben voor de provincie Nederland. Maar hoeveel mensen waren geen fan van de tv-reportages Van Moskou tot Moermansk? Op ons gemak lieten we ons rondleiden door Jelle Brandt Corstius. Geheel tegen de tijdgeest in waren het geen razendsnel gemonteerde beelden en oneliners die voorbijflitsen. We reisden rustig mee met de aimabele Nederlandse journalist, die compassie toonde met al het menselijk drama dat in Rusland zo uitbundig aanwezig is.
Ook hoorde ik enthousiaste verhalen over Metropolis TV. Daar volgde ik een jonge Zambiaanse vrouw die niet tevreden was over haar figuur. Ze bezocht een ‘dokter’ die haar plaatselijk insmeerde om te zorgen dat haar heuppartij zou uitdijen. In Zambia geen liposuctie, dacht ik. Want daar ben je pas een schoonheid als je volle billen, grote borsten en brede heupen hebt.
En zo waar toont ook het NOS Journaal soms een indrukwekkend item. Zoals vorige week toen Wouter Zwart, de correspondent in China, niet alleen de happy streets maar ook de schaduwzijde van de World Expo in Shanghai toonde. Zwart bezocht eerst mevrouw Djo die had geweigerd te verhuizen om plaats te maken voor de wereldtentoonstelling. In haar krot vertelde ze dat knokploegen niet alleen haar huis hadden verwoest … maar een maand geleden ook haar gehandicapte man hadden vermoord. En toen gebeurde het. Wouter Zwart volgde de tachtigjarige mevrouw Liu, die wilde zien welk paviljoen bovenop haar huis was gebouwd. Bij de ingang van de Expo werd de krasse dame door een man in burger vastgegrepen en hardhandig tegen de grond gewerkt. Terwijl veiligheidsmannen hun handen op de lens duwden, bleef Zwart doorfilmen. En zo zagen we hoe de moedige mevrouw Liu in een bus werd afgevoerd. Sublieme journalistiek.
Behalve internet, kabel, twitter, tv-reportages hebben we ook nog de ouderwetse radio. Heeft u overdag geen tijd om naar de live-uitzending te luisteren, surf dan op een ander tijdstip naar bureau buitenland van de VPRO. Daar kunt u kiezen tussen een reportage over Kirgizië of gesprekken over de houterige Columbiaanse presidentskandidaat Antanas Mockus die in de peilingen hoge ogen gooit of het dorpje Soekmekaar in Zuid-Afrika. Het einde van de radio is al vaak ingeluid, maar juist dit medium schijnt nog zo ongeveer het enige lichtpuntje in de Amerikaanse journalistiek te zijn, zo begrijp ik uit de recensie van Jan Donkers. Het is de niet-commerciële National Public Radio die in de VS nog altijd degelijke berichtgeving blijkt te bieden. De oprichter van het McDonalds-imperium vond de zender zo van belang dat hij het station in zijn testament opnam en het 235 miljoen dollar naliet.
Mogelijk zit in Nederland wel echt de klad in het langere buitenlandverhaal. Kranten hebben er het format niet voor, sluiten bijlagen waarin deze stukken pasten en hebben er geen zin meer in omdat het niet schijnt te verkopen. Alles moet korter. Het liefst met een boxje met de belangrijkste feitjes in bulletpoints erbij. Het kadertjesvirus. Het lijkt me een zegen voor een tijdschrift als Vrij Nederland dat samen met De Groene Amsterdammer straks het rijk alleen heeft als het om de fikse buitenlandreportage gaat. Niet alleen in tekst, maar ook in beeld.
Voor wie dit allemaal niet genoeg is, is er nóg meer. In zijn vroege NewYorkse jaren bestond het niet eens. ‘Hooguit kon je een boek vinden dat was geschreven door iemand in dienst van het Tropeninstituut,’ zei Fallaux. Als er één genre is dat een hoge vlucht heeft genomen, is het wel de verhalende journalistiek in boekvorm. Ook wel non-fictie genoemd. Het begon ooit met Truman Capote’s: ‘In Cold Blood.’ De stijl waaierde uit. Inmiddels verschijnen er jaarlijks tientallen journalistieke boeken – al dan niet literair - over internationale kwesties en verre landen. Het genre bloeit als nooit tevoren. En dan zijn en er uiteraard de fotografen nog, die op stap gaan en de meest bijzondere reportages maken. Hun werk hangt in cafés, musea of is in boekvorm te koop.
Het duizelt u misschien. Het aanbod is overweldigend en divers. Het aanbod is zo omvangrijk dat we wellicht behoefte hebben aan nieuwe wegwijzers. Knooppunten die de informatie schiften, duiden, op waarde schatten en markeren. Inderdaad, zoals de traditionele media altijd al hebben gedaan. En daarmee lijkt de cirkel rond.
Maar graag wil ik hier van de gelegenheid gebruik maken om te wijzen op de positie van de makers van al deze verhalen en bijzondere journalistieke producties in het buitenland. De mensen die zorgen dat de luiken openblijven. Met deze journalisten kunt u meereizen van Engeland naar Ghana, Indonesië, Afghanistan, Iran en Mexico. Van mega-metropolen naar het stilste platteland of de gewelddadigste regio. Deze journalisten laten u kennismaken met een andere werkelijkheid. Als het goed is verrassen ze u, en werpen ze een ander licht op de zaak.
Velen zijn freelancers die het zonder comfortabele budgetten moeten doen en zelf de risico’s dragen. Wat deze journalisten - schrijvers, fotografen en documentairemakers - gemeen hebben is hun passie voor een land, volk of een kwestie. Velen verdiepen zich jarenlang in hun onderwerp. Ze zijn verslingerd aan de levensstijl die het avontuur in het verre buitenland met zich meebrengt.
‘Ik heb grote bewondering voor deze dappere dodo’s,’ vertelde Geke van der Wal, directeur van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, toen ik haar voor deze lezing sprak. Zij komt deze reizigers tegen als ze bij haar fonds aankloppen voor een subsidie. ‘Het gaat om moeilijke projecten,’ zei ze. ‘Waarbij de werkomstandigheden niet gemakkelijk zijn. Het is ook duur. Ze moeten een tolk en een fixer betalen. Een simpel hotel kan al 200 dollar kosten als de Verenigde Naties in dat land met een missie zijn neergestreken. Ik vind het een wonder dat deze mensen overleven,’ aldus Van der Wal. Van de vijf ton die het fonds in 2009 in kas had, ging ongeveer eenderde - 150.000 euro - naar expedities naar Ghana, Zuid-Afrika, Libië, Palestijnse gebieden, Birma en vooruit, laten we de Antillen ook maar onder deze categorie scharen.
Geldelijk gewin speelt inderdaad nauwelijks mee. Zeker niet als het gaat om grote projecten als een boek of een documentaire. Zeker niet als de makers hechten aan hun journalistieke onafhankelijkheid. Het is iets waar ik bijzonder aan hecht! Voor de prijs waar we het vandaag over hebben, vind ik ook dat die onafhankelijkheid moet blijven zegevieren. Er zijn subsidies die de integriteit van de journalist garanderen. Maar het is nog een hele klus om die aan te vragen. En doorgaans zijn deze bijdragen niet voldoende om het geheel te financieren. Bijna altijd moet er eigen geld bij. Met de lage tarieven die media hanteren, is het niet eenvoudig om een behoorlijk inkomen te verdienen. Ik ken genoeg auteurs die jaren rood stonden om hun boek te verwezenlijken. In de winter liepen ze met gaten in hun schoenen, of stelden de aanschaf van een dikke jas of de vervanging van lubberende lingerie nog even uit. Hulde aan de armoedzaaiers die blijven vasthouden aan hun journalistieke principes.
Mogelijk ontstaat nu een heel treurig beeld. Maar deze makers leveren intussen wel opvallend hoge kwaliteit. Menig Nederlands fotograaf scoort met verre landen bij de World Press Photo. Of neem de M.J. Brusseprijs voor het beste journalistieke boek. Dit jaar besloot de jury tot het publiceren van een longlist waarop 19 boeken prijkten. Grofweg de helft – afhankelijk van de criteria - ging over verre landen: zoals Irak, de Stille Zuidzee, Senegal, Birma.
Vorige maand werd de Bob den Uylprijs voor het beste literaire/journalistieke reisboek door juryvoorzitter Emile Fallaux uitgereikt. Het merendeel van de genomineerden was niet even snel over de grens gewipt, maar was echt flink van huis geweest. Van de zes genomineerde boeken, speelden maar liefst vier zich af in verre landen. Niet toevallig was de winnaar dit jaar een vrouw: Minka Nijhuis.
Dat brengt me op het laatste punt. Deze journalisten zijn niet alleen goed. Ze zijn opvallend vaak ook vrouw. Ik dacht dat het aan mijn vertekende waarneming lag. Maar het was ook Fallaux opgevallen: de reputatie van vrouwen in dit vak. De dames strijken niet in de minste oorden neer: Afghanistan, Birma, Sierra Leone, Congo, Centraal Azië, Irak. Bij de twee fondsen die ik noemde, het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en het fonds van de Postcode Loterij/Free Voice, is de verhouding in de gehonoreerde aanvragen ongeveer fifty/fifty. De helft van de subsidies gaat naar vrouwen.
In de vrije sector lijkt de emancipatie voltooid. Of ligt het anders? En vinden deze reizende vrouwen wellicht hun bestemming door zo veel mogelijk los van de gevestigde orde te opereren, terwijl mannen zich binnen het establishment willen laten gelden omdat ze dan respect bij hun peers afdwingen?
Ook bij de Dick Scherpenzeelprijs, domineren ze het concours. Vorig jaar streden drie vrouwen om de eer. Ik wil daarom Thomas Erdbrink complimenteren. Het is hem gelukt om als enige man tot deze top door te dringen en het vanavond op te nemen tegen drie vrouwelijke rivalen.
Gaan de luiken dicht? Beslist niet. Hier zitten vier geweldige finalisten die bewijzen dat het buitenland springlevend is.
Tjitske Lingsma is freelance journalist en winnaar van de Dick Scherpenzeelprijs, voor haar boek ‘Het Verdriet van Ambon’.


Praat mee
2 reacties
Kees Cornelder, 6 juni 2010, 12:04
A propos: meer dan 60% van wet- en regelgeving in Nederland komt in feite ‘Brussel’ tot stand.
Waarom dan wel ‘Den Haag Vandaag’ en niet ‘Brussel Vandaag’?
In lopende zin geïnformeerd worden over wat zowel de Europese Commissie als het Europese Parlement uitspoken - u weet wel, het EP dat ook door Nederlanders gekozen wordt - is er de facto niet (meer) bij.
Mijn inziens het grootste debakel wat berichtgeving uit het ‘buitenland’ betreft.
Verbaast het dan nog dat de opkomst bij EPverkiezingen dramatisch laag zijn, om maar iets meetbaars qua effecten te noemen?
Immers, wat de boer niet kent dat vreet hij gewoon niet.
Stefan de Vries, 10 juni 2010, 15:36
Beste Kees,
“Waarom dan wel ‘Den Haag Vandaag’ en niet ‘Brussel Vandaag’?” Precies diezelfde vraag stelde ook ik mij al jaren. Tot ik besloot de handen uit de mouwen te steken. Zeer binnenkort is het zover en is er op zowel de Nederlandse radio als tv eindelijk een wekelijks programma over Europa. Details volgen spoedig.