Help, de lokale democratie gaat kopje onder
Op 5 maart jongstleden gaf Joop Atsma, oud-Kamerlid en woordvoerder over media-onderwerpen bij het CDA en huidig voorzitter van het Productschap Vee en Vlees, de jaarlijkse Magister Alvinus Lezing in Sneek. Deze lezing, een initiatief van de openbare scholengemeenschap RSG Magister Alvinus uit Sneek had dit jaar als titel: Help, de lokale democratie gaat kopje onder. Atsma beschrijft de problemen waarmee vooral regionale media zich geconfronteerd zien en pleit voor meer financiering uit een combinatie van publieke en private middelen, zoals bij de plannen voor een Fries mediacentrum.
De lokale democratie dreigt kopje onder te gaan. Aan de hand van actuele ontwikkelingen durf ik deze stelling te verdedigen. Sterker nog, als de huidige trend doorzet, moet de vraag worden beantwoord of gemeenteraadsverkiezingen, die op 19 maart worden gehouden, op termijn nog wel zin hebben.
Steeds minder mensen gaan stemmen en de kloof tussen kiezer en gekozene lijkt steeds groter te worden. Wat zijn de oorzaken van de alsmaar dalende interesse en wat zijn mogelijke oplossingen? Even kopje onder hoeft niet erg te zijn, maar het moet niet te lang duren. In de politiek is het niet anders. Als de kiezer definitief de aansluiting met het lokale bestuur verliest, zijn de gevolgen niet te overzien.
Ik ervaar het als bijzonder dat ik mijn zorgen over de lokale democratie op deze historische plek met u mag delen. Sneek, ontstaan in de tiende eeuw, verwierf snel een eigen positie en dat leidde enkele eeuwen later tot stadsrechten. Hoe mooi is het contrast dat we hier tegelijkertijd te maken hebben met een van de jongste gemeenten van ons land. De fusie van vijf gemeenten tot Súdwest-Fryslân heeft veel losgemaakt, zowel hier, op het provinciehuis in Leeuwarden als in Den Haag.
Ik weet dat velen hopen dat deze jonge gemeente op 19 maart als voorbeeldgemeente zijn bestaansrecht bewijst door een grote opkomst voor de raadsverkiezingen. Ik denk dat we niet te optimistisch moeten zijn. Waarschijnlijk is ook hier niet sprake van een hoge opkomst. Maar hoe dan ook, in Súdwest-Fryslân wordt gestemd en eind deze maand is hier een nieuw gemeentebestuur. En wat het ook wordt, de uitkomst zal deze gemeente, deze stad en deze scholengemeenschap zeker raken.
De rijksscholengemeenschap Magister Alvinus heeft een bekende klank. Velen kennen deze onderwijsinstelling, niet alleen in Sneek en deze regio, maar tot ver buiten de provinciegrenzen. De namen van veel oud-leerlingen getuigen daarvan. Als oud-politicus vallen vooral namen als Dieuwke de Graaf-Nauta en oud-premier Pieter Sjoerds Gerbrandy op. En uiteraard noem ik ook mijn oud-collega Sybrand van Haersma Buma. Het is slechts een willekeurige greep uit de lijst met leerlingen. Zij bezochten ooit deze school en hebben misschien in het verleden wel op deze plek gestaan.
Wie was Magister Alvinus? Het is een vraag die waarschijnlijk heel veel mensen bezighoudt. Het kost weinig moeite om daar achter te komen. Een stuk ingewikkelder wordt het om te achterhalen wat hij precies heeft gedaan. Dat hij als eerste rector van de Latijnse school in Sneek een stempel op de ontwikkeling van de stad moet hebben gedrukt, staat vast. We hebben het over de vijftiende eeuw, de jaren van economische groei en de periode dat Sneek zelf een eigen muntslag kreeg.
Sneek was zelfs even de hoofdstad van het toenmalige Friesland. Alvinus behoorde als rector van de school tot de prominente ingezetenen van de stad. Deze magister, of zoals we vandaag de dag zouden zeggen, leider of leraar, had een duidelijke boodschap voor zijn studenten: hij stimuleerde hen om de wereld in te trekken en kansen te grijpen. Magister Alvinus ontpopte zich als een kosmopoliet, als iemand voor wie de wereld een uitdaging was. Kom daar nu eens om.
In vrijwel alle documenten van de provincie en de gemeenten staat als één van de belangrijkste zorgpunten de uitstroom van hoger opgeleiden naar elders. Eeuwen geleden werd het als een kans gezien om vanuit de bloeiende handelsstad Sneek de wereld in te trekken, nu wordt het vaak als een bedreiging beoordeeld. Of dat terecht is? Met professor Jouke van Dijk, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit van Groningen, plaats ik er een kanttekening bij.
“Degenen met noordelijke wortels komen vaak terug, als er maar banen zijn”, stelde hij in een bijdrage over ‘Krimp en Ruimte’ in deze provincie. Daarmee is meteen ook één van de, in mijn ogen belangrijkste aandachtspunten voor de komende raadsverkiezingen genoemd. Alle aandacht en energie moet worden gestoken in het creëren van werk, in het scheppen van nieuwe banen. Veel politieke partijen worstelen met de vraag waar ze op moeten inzetten. Ook lokaal en regionaal is er in mijn ogen maar één echt thema: het scheppen van banen. Veel gemeentelijke politici denken aan andere onderwerpen bij het schrijven van hun eigen politieke agenda. In sommige gemeenten lijkt het bijvoorbeeld alsof het wel of niet introduceren van Friese gemeente- of plaatsnamen het allerbelangrijkste is. Vergeet dat. Zo’n discussie werkt eerder contra-productief. Ik denk dat Magister Alvinus het met mij eens zou kunnen zijn, want hij wilde verder kijken dan alleen de eigen regio.
Over enkele weken mogen miljoenen Nederlanders weer stemmen en worden honderden nieuwe gemeentebesturen gekozen. Tot in alle uithoeken van het land wordt op dit moment campagne gevoerd door zowel landelijke als lokale politici om de gunst van de kiezer. Ook hier. Wat we zien is dat de animo om voor de gemeenteraad te gaan stemmen, steeds kleiner wordt. Jong en oud lijken zich steeds minder druk te maken over de vraag hoe het bestuur in de eigen regio eruit moet zien. Dat is een slechte en gevaarlijke ontwikkeling en velen worstelen met de vraag hoe dat komt.
Haagse bemoeizucht
“Verkiezingen gemeenteraad niet in vizier kiezer”, concludeerde onderzoeksbureau TNS Nipo twee weken geleden naar aanleiding van een onderzoek onder een representatieve groep Nederlanders. Als belangrijke oorzaak wordt de dominantie van de landelijke politiek genoemd. Maar liefst 66 procent van de ondervraagden komt met deze klacht. Wie de landelijke media de afgelopen dagen heeft gevolgd, zal dat herkennen. Het effect is volgens TNS Nipo dat straks slechts 44 procent van de mensen gaat stemmen. Waar laten zij die wel de moeite nemen om naar de stembus te gaan, zich vooral door leiden? Dat zijn lokale thema’s als zorg, veiligheid, wonen en - ik noemde het al - werkgelegenheid.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat niet iedereen zo somber is gestemd over de opkomst. Professor Monique Lejeune van de Radboud Universiteit in Nijmegen noemde het vorige week in het Reformatorisch Dagblad ‘onwaarschijnlijk’ dat de opkomst zo laag wordt als nu voorspeld. Maar waarom? Argumenten heb ik nauwelijks gelezen. Is de historisch lage opkomst tijdens de raadsverkiezingen in Leeuwarden op 14 november 2013 dan geen waarschuwing? Slechts 39,5% van de kiesgerechtigden ging naar de stembus. Dat is eigenlijk beschamend en had al veel meer een les voor politici moeten zijn.
Ik moet hierbij wel de kanttekening maken dat wetenschappelijk is aangetoond dat bij herindelingsverkiezingen de opkomst altijd lager is dan bij reguliere verkiezingen. De voor de hand liggende reden: Bij herindelingen profiteer je niet mee van het feit dat er in het hele land verkiezingen zijn. Interessant is daarom om na te gaan of Súdwest-Fryslân deze keer een hogere opkomst haalt dan bij de herindelingsverkiezing van 2010. Toen was het 48,7 procent. Daar moet het nu royaal boven komen. Anders is de opkomst nu eigenlijk toch slechter dan in 2010.
Veel hangt af van de boodschap waarmee partijen zich tot de kiezer richten. Lokale bestuurders moeten zich niet teveel laten leiden door de concepten die vanuit Den Haag in de richting van een plaatselijke afdeling worden gestuurd.
Maar er kan meer worden gedaan om gemeentebesturen een eigen gezicht te geven en de mensen er meer bij te betrekken. Waarom stoppen we niet met het organiseren van alle raadsverkiezingen op dezelfde dag? Laat elke gemeente voortaan zelf de verkiezingsdag bepalen en het resultaat zal zijn dat vanuit de landelijke politiek een veel magerder stempel op de uitkomst wordt gedrukt. Het is bovendien logisch, want waarom in Den Haag wel verkiezingen na de val van een kabinet en op gemeentelijk of provinciaal niveau niet? We kennen immers ook al gemeentelijk en provinciaal het dualisme! Stuurt de gemeenteraad een wethouder naar huis, dan moet op basis van de ‘oude’ politieke verhoudingen opnieuw worden geformeerd.
De uitkomst is vaak voorspelbaar en dat begrijpen veel mensen niet. Ik zou er veel voor voelen om na een crisis op gemeentelijk niveau de mogelijkheid van nieuwe verkiezingen te introduceren. Het maakt de gemeentepolitiek in elk geval veel spannender. Mijn inschatting is dat de Tweede Kamer in de huidige samenstelling er ook voor is. En de verantwoordelijk minister, Ronald Plasterk, kan zich beter hier sterk voor maken dan voor rare ambities om provincies in te wisselen voor landsdelen. Aan de slag ermee, zou ik zeggen.
Schaalgrootte
Er is in mijn ogen nog een reden waarom veel mensen niet of minder geïnteresseerd zijn in het kiezen van hun eigen gemeenteraad. Dat is de schaalgrootte. Enkele decennia geleden stonden gemeentebestuurders dicht of dichter bij de mensen. Iedereen kende vaak persoonlijk een raadslid of wethouder. En als er gestemd mocht worden, ging de voorkeur vaak uit naar een persoon waar men iets mee had. ‘Te dichtbij’ brengt ook risico’s met zich mee, maar het gaat nu vooral om de vraag waarom de afstand naar het gemeentebestuur groter en groter lijkt te worden.
In Fryslân is reeds jaren sprake van een soms van bovenaf opgelegde hang naar schaalvergroting. Gemeenten kunnen niet meer alle taken naar behoren uitvoeren en daarom is vergroting onontkoombaar, zo betogen voorstanders. Soms klinkt zelfs door dat de provincie eigenlijk de schaal van een gemeente heeft. Een stad als Amsterdam telt immers meer inwoners en is complexer dan alle Friese gemeenten samen. De discussie over grotere gemeenten wordt in Fryslân al gevoerd vanaf de jaren zeventig en is nog steeds actueel. Het gaat echter, zoals het Friese spreekwoord zegt, op z’n elfendertigst. Ja, inderdaad. Het gaat langzaam, net zo traag als een rondgang langs de elf Friese steden en de dertig grietenijen die hier ooit waren.
Voor deze provincie zijn meerdere modellen om te komen tot grotere gemeenten in kaart gebracht. Schaalvergroting mag evenwel nooit een op zichzelf staand doel zijn. “Groot is alleen maar goed als het beter is”, hield een ondernemer en politicus mij voor in de periode dat ik lid was van Provinciale Staten. Kennelijk was het bedoeld als waarschuwing. Later, in de Haagse politieke arena, heb ik daar vaak aan teruggedacht en ook regelmatig tegen schaalvergroting aangehikt. Ook toen de vorming van de gemeente Súdwest-Fryslân aan de orde was.
Daarom ben ik benieuwd wat de huidige schaalgrootte Súdwest-Fryslân heeft gebracht en gaat brengen. Het samengaan van vijf gemeenten heeft voordelen, maar er is ook een keerzijde. Hoe groot is nu werkelijk de afstand tussen bestuurder en bestuurde, de ruim 82.000 inwoners in de 74 kernen? Hoe vaak hebben de mensen het afgelopen jaar hun gekozen bestuurders gezien? “Burgers Súdwest-Fryslân redelijk content”, kopte het Friesch Dagblad eind november vorig jaar naar aanleiding van een onderzoek in opdracht van de gemeente. Ook in een evaluatierapport, in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken, komt Súdwest-Fryslân er niet echt slecht vanaf. Als het gaat om beleid en visie is er een krachtige gemeente ontstaan, zo blijkt.
Onderzoekers van het bureau PWC en de Universiteit van Tilburg concluderen echter tegelijkertijd dat de lokale democratie verslechtert. Dat is een alarmsignaal. Zij stellen weliswaar dat dit in Nederland vaak het gevolg is van een herindeling, maar deze conclusie is een teken aan de wand. Vanzelfsprekend ben ik benieuwd wat ermee zal worden gedaan, zowel in deze gemeente als in Den Haag, want het is de Tweede Kamer die om deze evaluatie heeft gevraagd.
Zoals gezegd, is schaalvergroting vaak het gevolg van het niet meer kunnen uitvoeren van taken die op het gemeentelijk bordje liggen. Waarom benaderen we hier het probleem niet van de andere kant? Met evenveel argumenten zou naar het takenpakket van rijk, provincies en gemeenten kunnen worden gekeken. Geef gemeenten meer taken die ze wel aankunnen en die nu ergens anders moeten worden uitgevoerd. Of laat gemeenten minder doen en kijk meer naar bijvoorbeeld de provincie. En waarom zouden we bepaalde taken niet door plaatselijke bedrijven of instellingen laten uitvoeren? Professor Rinus van Schendelen uit Rotterdam deed maandag enkele interessante suggesties voor de serviceverlening door gemeenten. Winkels en instellingen zijn vaker en langer open dan gemeentehuizen en waarom zouden we daar niet een gemeentelijk document kunnen ophalen? Wat is tegen zo’n brede herijking van taken? Het samenvoegen van provincies, zoals het kabinet nu voorstelt, of het zonder meer vasthouden aan de vorming van nog grotere gemeenten, is in mijn ogen geen oplossing.
Rol media
Maar er is nog meer waardoor de lokale democratie kopje onder dreigt te gaan. Het is niet alleen de Haagse bemoeizucht en de schaalgrootte, ook de rol van de media verdient een nadere beschouwing.
Tientallen jaren geleden ben ik als journalist begonnen. Dat betekende soms dagelijks met collega’s vele uren op het gemeentehuis, bij raadsvergaderingen, bij commissiebijeenkomsten. Ik merk nu dat kranten en regionale omroepen meer en meer de gemeentelijke politiek mijden. Steeds vaker blijven de stoelen die ooit voor journalisten van de regionale en lokale media waren gereserveerd, leeg. Het heeft vaak alles te maken met de harde realiteit van minder abonnees, teruglopende advertentie- en reclame-inkomsten en bezuinigingen.
Ook desinteresse is een niet te onderschatten reden. Journalisten twitteren liever over ‘Boer Zoekt Vrouw’ dan over een commissievergadering. Voor het verdiepen in inhoud lijkt onvoldoende tijd, ruimte en animo.
Zoals aangegeven, er moet gesneden worden in budgetten en alleen al in Fryslân zijn er de afgelopen jaren tientallen journalistieke banen verloren gegaan. Helaas is het einde nog niet in zicht. Om in zo’n krimpscenario alle raads- en commissievergaderingen te volgen, is bijna onbegonnen werk. Dat kost relatief veel tijd en het is voor een krant veel gemakkelijker om de volgende dag even met de griffier, gemeentesecretaris of voorlichter te bellen met de vraag of er nog bijzonderheden aan de orde zijn geweest. Maar zelfs dat wordt niet altijd gedaan. Zo’n ontwikkeling is slecht en misschien wel funest voor de lokale democratie.
En dat in een provincie met twee ‘eigen’ dagbladen, een herkenbare omroep en een reeks aan lokale kranten met eigen redacties. Fryslân telde in 2012 volgens een onderzoek door het Stimuleringsfonds voor de Pers zelfs de hoogste mediadichtheid van Nederland. Per gemeente werden pakweg veertien (!) media geteld. Het contrast met de aandacht voor de gemeentelijke politiek is echter groot. Een belrondje in de provincie bevestigt dat slechts enkele gemeentehuizen tijdens raads- en commissievergaderingen structureel journalisten begroeten. Zo kon het gebeuren dat eind vorig jaar in een van de Friese gemeenten een heuse crisis en een niet geaccepteerde begroting voor 2014 pas na enkele dagen werd opgemerkt. Is het dan gek dat de belangstelling voor de gemeentelijke politiek steeds minder wordt?
Het niet meer op de voet volgen van de gemeentelijke politiek zie ik als een van de belangrijkste oorzaken voor de wegkwijnende animo in de lokale politiek. Hier komt bij dat het bereik van de dagbladen door het afhaken van lezers ook gestaag kleiner wordt.
De media zijn sinds jaar en dag een wakend oog van en over de politiek. Politici en journalisten zijn in zekere zin op elkaar aangewezen, maar ze houden elkaar ook scherp. Kijk wat er op de vierkante kilometer die we ‘Het Binnenhof’ noemen gebeurt. Daar zitten 150 Kamerleden en meer dan 150 journalisten op een kluitje. Geen debat, zelfs geen woord wordt gemist! Daardoor volgen we dag in, dag uit de handelingen van het parlement op de voet. Nog niet zo heel lang geleden was dat in de regio ook heel gebruikelijk, maar nu is dat beeld gekanteld. Moeten we ons daarbij neerleggen? Nee, natuurlijk niet. De journalist is ook buiten Den Haag in zekere zin de hoeder van de democratie. Helaas is de realiteit nu anders.
Hoogleraar journalistiek Marcel Broersma uit Groningen bevestigt het zorgelijke beeld. “De democratische controle door de journalistiek is inderdaad van groot belang. Ik zie de huidige ontwikkelingen als een groot probleem. Ook de overheid moet dat inzien.” Politicoloog André Krouwel was donderdag op Radio 1 nog stelliger in zijn opvatting. “Het effect op de democratie is desastreus”, zei hij naar aanleiding van de bezuinigingen op de regionale omroep. “Politici en bestuurders gedragen zich anders als ze goed in de gaten worden gehouden.”
Ik deel zijn opvatting. Gebeurt dat niet, dan is de controle voor een belangrijk deel weg. Voorlichters en woordvoerders die na afloop van een raadsbijeenkomst berichten naar de media doorspelen, zijn per definitie niet onafhankelijk en hebben een ander belang. Zij worden in het algemeen ingehuurd om er een goed-nieuws-show van te maken of om de mogelijke schade te beperken. Dat mag, maar juist daarom moet er tegenwicht zijn en mag de journalistiek zich laten zien en gelden. Ik waag trouwens te betwijfelen of de hoofdredacties en journalisten van nu zich van die verantwoordelijkheid bewust zijn.
Afdelingen voorlichting van de overheid zien de gevolgen van de afname van het aantal journalisten en de opkomst van sociale media. Het is makkelijker om de inwoners rechtstreeks te bereiken, maar toch is het nog prettiger als een onafhankelijke journalist de boodschap overbrengt.
Is er een antwoord en zijn er alternatieven? Kunnen bijvoorbeeld de nieuwe digitale initiatieven en sociale media de horzelfunctie van de meer traditionele media niet overnemen? Nee, op dit moment niet of onvoldoende. Er is nog geen journalistiek alternatief voor Twitter of Facebook dat in deze leemte voorziet. Broersma geeft bovendien aan dat het verdienmodel van bijvoorbeeld veel lokale nieuwssites ronduit zwak is. “Aan de onderkant gebeurt wel iets, maar het gat dat ontstaat doordat grote media moeten bezuinigen, kan niet worden opgevuld”, zegt hij.
Kansen
Toch zijn er kansen. Uit het recent verschenen Nationale Sociale Media Onderzoek 2014, een trendonderzoek onder 15.000 Nederlanders, blijkt dat de belangstelling voor sociale media nog altijd toeneemt. Bijna negen van de tien Nederlanders maakt gebruik van sociale media. Vooral Facebook scoort hoog met maar liefst 8,9 miljoen gebruikers, en YouTube doet het met 7,1 miljoen gebruikers ook goed. Twitter volgt met 3,1 miljoen, maar het is goed om te realiseren dat dagelijks maar liefst 1,5 miljoen mensen tweets versturen of lezen. Ook neemt het aantal gebruikers van de Google-diensten nog altijd toe.
Het mooie is, zo stellen de onderzoekers, dat sociale media in alle lagen van de bevolking worden gebruikt. Het is geen verrassing dat jongeren juist met sociale media kunnen worden bereikt. Hier ligt een kans, temeer omdat uit onderzoek van Van der Groep en Bosveld (2012) blijkt dat weinig mensen de lokale, gemeentelijke politiek volgen via de sociale media. Voor het zover is, zal beter onderzocht moeten worden op welke wijze mensen en vooral jongeren via de sociale media over de gemeentelijke politiek geïnformeerd willen worden. Vast staat dat de berichtgeving hoe dan ook betrouwbaar moet zijn. Dat vraagt een professionele aanpak.
De vraag blijft waarom de traditionele media anno 2014 niet veel actiever zijn op de sociale media en daarbij nieuwe verdienmodellen hebben uitgewerkt. Ongetwijfeld heeft dit te maken met de vrees dat het verspreiden van berichten via de nieuwe media onmiddellijk ten koste gaat van de exclusiviteit van het eigen medium. Maar zou het niet zo moeten zijn dat het feitelijke nieuws op elk moment, 24 uur per dag, wordt verspreid? En dat de ‘eigen’ lezer achtergronden, verdieping en duiding in de krant of op radio en televisie kan verwachten? In Den Haag, in de landelijke media, is dit al heel gebruikelijk.
Een algemeen verdienmodel is er inderdaad niet, al is er wel een goed voorbeeld. Belangrijke landelijke debatten kun je bijvoorbeeld via de apps van De Volkskrant of de NOS volgen. Ze geven van minuut tot minuut verslag van het debat. Gratis. Geweldig dat je dit als journalist kunt doen. Je bindt lezers en dat is de eerste voorwaarde voor een medium en voor een verdienmodel. Friese media doen wel zo’n minuut-tot-minuutverslag van een voetbalwedstrijd, grote brand of bijzondere rechtszaak, maar niet van een raads- of Statenvergadering. Waarom niet? Omdat ze bang zijn het nieuws ‘gratis’ te geven? Omdat ze denken dat niemand er in geïnteresseerd is? Dat zou raar zijn, want maandelijks bezoeken zeven miljoen Nederlanders dagbladsites. Dat is bijna evenveel als het bereik van de papieren kranten.
Mediacentrum
Er zal een eigen Fries of provinciaal antwoord moeten komen op deze ontwikkeling. Begin vorige maand kwam er uit de hoek van Omrop Fryslân een pleidooi voor nauwere samenwerking tussen de drie provinciale mediabedrijven. Gisteravond hebben we middels ‘Fryslân Kiest’ een voorproefje gekregen door een gezamenlijke verkiezingsavond van de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en Omrop Fryslân. Het is een logische gedachte, die enkele jaren geleden ook al werd geopperd in Den Haag.
Op initiatief van toenmalig minister Plasterk ging in 2009 een commissie aan de slag om de positie van de media in de regio te analyseren en te versterken. De suggestie van deze commissie Brinkman was om samenwerking tussen kranten en regionale omroepen te stimuleren. Die gedachte kreeg vooral in het zuiden van ons land gehoor, in Fryslân stond men niet direct te applaudisseren. Samenwerking vraagt namelijk gelijkwaardigheid en het besef dat eigen identiteit en herkenbaarheid gewaarborgd kan worden, drong niet meteen door.
Ik denk dat het tijd wordt voor een nog breder initiatief, waarvoor Friese mediabedrijven, de provincie en de gemeenten zich inzetten. Doel moet zijn om een antwoord te geven op de verdergaande verschraling van het pluriforme media-aanbod en het wegvallen van de democratische controle. Dit Fries mediacentrum zal met eigen journalisten en correspondenten tot in de haarvaten van de Friese samenleving moeten doordringen. Je zou dit mediacentrum in zekere zin kunnen vergelijken met het ANP. Laat dit instituut vooral feitelijk nieuws verzamelen en vervolgens aan alle media beschikbaar stellen. Broersma noemt dit het ‘snelle nieuws’ uit openbare bronnen.
Nu wordt te vaak hetzelfde werk door journalisten van verschillende media gedaan en dat kan efficiënter. Een ongeval, overval, brand of zelfs een besluit van een gemeenteraad kan zonder duiding worden doorgegeven aan provinciale, maar vooral ook lokale media, van huis-aan-huis bladen tot omroepen. Maar ook van digitale sites tot sociale media, want we zullen alles op alles moeten zetten om ook jongeren actiever te betrekken bij de lokale politiek. Zeven dagen per week en 24 uur per dag.
De financiering zal ook een combinatie van publieke en private middelen moeten worden. Journalist Bert de Jong, tot voor kort werkzaam voor de Leeuwarder Courant, kwam vorig jaar met een eigen Deltaplan voor de journalistiek in Fryslan. Daarin pleitte hij voor samenwerking tussen de mediabedrijven. Financiering zou in zijn ogen voor een deel uit de Friese Nuon-reserve kunnen komen. Dat is een alleszins te verdedigen suggestie omdat het ook goed is voor de (journalistieke) werkgelegenheid.
Of het pleidooi van de commissie Brinkman of De Jong heeft geholpen weet ik niet, maar ronduit positief is dat voor een initiatief als het Fries Mediacentrum Provinciale Staten recent twee ton beschikbaar hebben gesteld. Tegelijk zien we dat voor een ander initiatief, het Fries Mediafonds, onvoldoende kwalitatieve aanvragen binnenkomen. Ook van de traditionele media die zelf op de vorming van het fonds hebben aangedrongen. De overheid kan het gereedschap wel klaarzetten, maar dan moeten de media het ook gaan gebruiken.
Behalve van de provincie mag ook een bijdrage van de gemeenten worden gevraagd. Het is vreemd dat gemeenten wel aan de bibliotheek, het zwembad of bijvoorbeeld de afval-inzameling willen bijdragen, maar niet voor zo’n mediabedrijf. Ook zo’n bedrijf heeft in mijn ogen een nutsfunctie. Misschien hangt zelfs het democratische bestaansrecht van gemeenten er wel vanaf.
Reddingsboei
Samenvattend: De gemeentelijke democratie staat zwaar onder druk. Daarom moet Den Haag zich minder bemoeien met de gemeentelijke agenda, raadsverkiezingen moeten worden gedecentraliseerd en ik pleit voor een herverdeling van taken tussen rijk, provincie en gemeenten waardoor schaalvergroting niet langer vanzelfsprekend hoeft te zijn. Misschien moet in het kader van de bestuurlijke vernieuwing tegelijkertijd ook wel worden gekeken naar een totaal andere manier van besluitvorming op gemeentelijk niveau. Het massale gebruik van nieuwe media en nieuwe technieken daagt uit om burgers direct bij de politiek te betrekken.
Tenslotte pleit ik voor de oprichting van een Fries Mediacentrum dat actief is tot in alle uithoeken van de provincie. Dat stimuleert de controle op de lokale overheden. Een voordeel van de vorming van zo’n nieuw mediabedrijf is dat de kwaliteit en continuïteit van het nieuws gewaarborgd wordt. Wellicht nog belangrijker is dat hierdoor via het actief gebruiken van sociale media en internetsites een goed geölied scharnier naar jongeren ontstaat. De discussie van vanmiddag met scholieren, de analyses van deskundigen en de waarneming van vanavond maken de meerwaarde duidelijk en zouden nu via tweets al op de site van de media te lezen moeten zijn.
Het zou zelfs wel eens zo kunnen zijn dat de lokale democratie mede door deze suggesties niet kopje onder gaat, maar een wenkende reddingsboei krijgt toegeworpen. Als dat het geval is, kunnen we gelukkig niet zonder gemeenteraadsverkiezingen.


Praat mee