Vincent Mentzel: ‘Ik werd steeds hechter met sommige politici, dus werd het tijd om te gaan’
De weg naar de fotojournalistiek was hobbelig, zijn leven als fotograaf vaak avontuurlijk en dat zijn collectie is ondergebracht bij het Rijksmuseum ziet hij als een kroon op zijn werk. Een gesprek met de eigenzinnige Vincent Mentzel (77) in elf steekwoorden.
Hoogkarspel
‘Daar ben ik in 1945 geboren. Toevallig kreeg ik eergisteren nog een artikel uit 2022 van mijn broer, over mijn ouders die in Hoogkarspel in het verzet zaten. In hun pastorie zaten tijdens de oorlog verschillende joodse onderduikers. Ik wist wel dat mijn ouders een rol speelden in het verzet, maar vond het toch heel bijzonder om te lezen. Zelf herinner ik me weinig van Hoogkarspel, omdat we eind 1945 verhuisden naar Naaldwijk en via Amsterdam naar Dordrecht.’
Domineeszoon
‘Mijn vader werd de rooie dominee genoemd. De rest van het gezin ging slechts één keer per jaar, met Kerst, mee naar de kerk. Ik weet dat ik hem als jong ventje weleens heb gevraagd of hij eigenlijk wel geloofde. Toen zei hij enkel: anders was ik dit beroep toch niet gaan doen?
Mijn moeder zat in de gemeenteraad voor de PvdA en thuis werd vooral over politiek en kunst gepraat. Als domineeszoon heb ik me nooit beperkt gevoeld, al zei mijn moeder weleens: “Probeer maar niet te veel op te vallen, je bent toch de zoon van de dominee”. Ik geloof niet dat ik me daar ooit aan gehouden heb.’
Ik kwam uit een rood nest en was dol op de bevlogenheid van Joop den Uyl
Kunstacademie
‘Ik wilde kunstenaar worden, maar was niet zo goed in tekenen. Een vriend heeft me toen geholpen bij het maken van wat toelatingswerk. Eerlijk gezegd was het nog steeds onbeholpen kladderwerk, maar toch werd ik in 1965 aangenomen op de Rotterdamse kunstacademie. Op de afdeling binnenhuisarchitectuur, wat niet bepaald mijn voorkeur had.
Toch was het een enige tijd. Ik ontmoette er onder meer kunstenaar Wouter Stips, de broer van Robert-Jan (zanger van The Nits, red.) Samen met wat anderen leerlingen vormden we het cabaret Quast en traden we op in heel Nederland. Na drie jaar riep de directeur van de kunstacademie, Pierre Jansen, zich bij me. Met een snik in zijn stem zei hij: ik moet je van school sturen. Ik had alleen maar onvoldoendes.’
Ik zag hoeveel competitie er in de hoofdstad was en hoe die fotografen leefden. Die zaten de hele dag in de kroeg
Maria Austria
‘In 1967 was ik bevriend met studiegenoot Joke de Vries. Haar vader Rob - destijds een beroemde acteur - hoorde over mijn situatie. Hij belde en zei: “Ik heb wel een leuk baantje voor je. Je kan de assistent van Maria Austria worden.” Hij wist dat ik in mijn vrije tijd soms fotografeerde.
Maria was een beroemde theaterfotograaf die in de oorlog ondergedoken had gezeten. Ik werd haar knechtje, al zou je dat nu stagiair noemen. Iedere dag zat ik om 8.00 uur in de trein vanaf Rotterdam naar Amsterdam en tussen de middag kreeg ik van haar een boterham. Ze betaalde mijn treinkaartjes en gaf me 25 gulden in de maand. Bij haar leerde ik werken in de doka, kijken door de lens en mooie composities maken. Het was een strenge vrouw, maar ik heb in die twee jaar veel geleerd.’
Rotterdam
‘Tijdens die stage woonde ik in Rotterdam, maar daarna wilde ik geld verdienen. Moet ik daarvoor naar Amsterdam, vroeg ik me af? Maar ik zag hoeveel competitie er in de hoofdstad was en hoe die fotografen leefden. Die zaten de hele dag in de kroeg. Ik dacht: “Vincent, als je hier gaat wonen raak je aan lager wal”.
Dus ik bleef in Rotterdam, waar ik nog altijd woon. Van Rob de Vries kreeg ik na die stage wat klusjes. Ik mocht fotograferen bij het Nieuw Rotterdams Toneel. Met een van die foto’s ben ik naar het AD gestapt. Zij hadden een grote kunstredactie en wilden mijn foto van de repetities van het Nieuw Rotterdams Toneel wel afdrukken. Zo kon ik de foto mooi twee keer verkopen.’
NRC
‘Het AD en NRC zaten aan het einde van de jaren 60 in hetzelfde gebouw in de Witte de Withstraat. En bij het AD ging ik al snel ook op de fotodienst meedraaien. Ik moest helpen met foto’s afdrukken, de grootte uitrekenen, op maat aftekenen en dan in de buizenpost naar de clichéfabriek doen. Hartstikke leuk.
Ondertussen maakte ik eigen werk en dat verkocht ik aan het AD, NRC en andere Nederlandse kranten en tijdschriften.
Nadat mijn foto van een omhoogkijkende minister-president Joop den Uyl bij de World Press Photo in 1973 verkozen werd tot “Beste Nederlandse Persfoto” vroeg NRC me om als redacteur in dienst te komen. Eerst ben ik van alles gaan doen, maar na een tijdje zat ik steeds vaker in politiek Den Haag. Destijds, in de jaren 60, waren er nog amper fotografen in het parlement te vinden. Ik vond het fascinerend. Vooral omdat ik politici zag die fel met elkaar discussieerden, maar achter de schermen gewoon gemoedelijk een kopje koffie samen dronken. Het waren bijna ‘gewone’ mensen. Begin jaren 80 ben ik er gestopt. Ik werd steeds hechter met sommige politici, dus werd het tijd om te gaan.’
Joop den Uyl
‘Ik kwam natuurlijk uit een rood nest en was dol op de bevlogenheid van Den Uyl. De iconische foto van hem die op de voorkant van mijn laatste boek staat, maakte ik tijdens het debat over de Lockheedaffaire. Ik zat op een soort houten prullenmand, schuin achter de regeringstafel. Ik fotografeerde Joop van achteren, op het moment dat hij met zijn vingers in zijn gezicht drukt. Het staat symbool voor de zorgen die hij had door het koningshuis. En hoe hij er alles aan moest doen om die vogel (Bernard, red.) uit de nesten te helpen. Ik vind het nog steeds een mooi beeld.’
Koningshuis
‘Dat heb ik altijd als een bijzondere opdracht gezien. Voor Willem-Alexander mocht ik samen met Renate Rubinstein een boek maken voor zijn 18de verjaardag en ik heb de koninklijke familie meerdere keren voor mijn lens gehad.
In 1977 mocht ik met prinses Beatrix en prins Claus mee op werkbezoek naar China. Het werd een prachtige reis. Claus kwam vaak bij de fotografen lopen om te kijken hoe wij werkten; een ontzettend aardige man.
Toen ik een jaar later weer naar China ging met Den Uyl, die inmiddels geen premier meer was, besloot ik een kaart naar Drakensteyn te sturen. Joop vroeg of hij er ook wat op mocht zetten. Een paar maanden na die reis sprak ik Joop weer en zei hij: je raadt nooit waar ik laatst gegeten heb. Bleek hij naar aanleiding van mijn kaart uitgenodigd te zijn door Beatrix en Claus op Drakensteyn. Verdorie, zei ik, dat was mijn kaart.’
Dat het Rijksmuseum maar liefst 4000 werken in het bezit heeft van zo’n eenvoudige fotojournalist is toch geweldig
Tarieven
‘Toen ik in 1973 dienst kwam bij NRC, kreeg ik 350 gulden per maand. Dat was voor die tijd geen vetpot, al vond ik het zelf best veel. Hoofdredacteur Alexander Stempels, die mij aannam, zei direct: u mag er, zoals iedere redacteur dat doet, best iets naast doen. Dat heb ik altijd onthouden. Regelmatig verkocht ik foto’s aan andere bladen of tijdschriften.
Zo belandde ik ooit tijdens een reis met Den Uyl in het ziekenhuis in Peking. Over die tijd schreef ik een mooi stuk met foto’s, maar NRC vond het geen goed verhaal. Daar was ik zo boos over, dat ik alles aan Panorama heb verkocht. Die drukten het prachtig af, op twee pagina’s. Daar waren ze bij de krant natuurlijk niet blij mee, maar ik wees nog maar eens op de opmerking bij mijn sollicitatiegesprek. Zo lulde ik me eruit. Later werd overigens de verkoop van foto’s door redacteuren aan banden gelegd.’
Zwart-Wit
‘Dat is toch het allermooist? Dan mag je zelf de kleur bepalen in je hoofd. Soms is een kleurenfoto nodig, maar ik fotografeer het liefst in zwart-wit. Het is altijd krachtig en ik vind simpelweg niets mooier.’
Rijksmuseum
‘Naast mijn dochter is dat de andere kers op de taart van mijn leven. Dat het Rijksmuseum maar liefst 4000 werken in het bezit heeft van zo’n eenvoudige fotojournalist is toch geweldig. In eerste instantie wilden ze alles nemen, maar dat is zoveel dat het niet te behappen is. Een ander deel is aangekocht door het Rotterdamse museum Atlas van Stolk. En mijn negatief- en dia-archief wordt geconserveerd door het Nederlands Fotomuseum.
Ik vind het geweldig dat mijn werk voor de toekomst bewaard blijft. Als fotografen brengen wij een tijd in beeld. Het is een grote eer én verdomd belangrijk dat het Rijksmuseum hierdoor laat zien hoe belangrijk fotojournalistiek is.’
Binnenkort verschijnt van Vincent Mentzel het boek ‘De mooiste foto maak je in je hoofd. Memoires van een fotograaf’, dat hij samen met Trix Broekmans schreef (Balans, ISBN 9789463822268, 277 pagina’s, € 22,99.
Vincent Mentzel (Hoogkarspel, 1945)
Opleiding: Rotterdamse kunstacademie (niet afgemaakt)
Publicaties: NRC Handelsblad, Algemeen Dagblad, Newsweek, The New York Times.
Exposities: o.a. Museum Hilversum, Rijksmuseum, Boijmans van Beuningen, Kunsthal en Stedelijk Museum.
Meer informatie


Praat mee