‘Het is een Hollandse,
De Nederlandse Maaike Floor is journalist bij Gazet van Antwerpen. Dat was wennen, ook voor de collega’s. ‘In het begin riep ik bij ieder leuk idee: “dat wil ik wel doen”, terwijl veel collega’s eerst een stilte zouden laten vallen, even zouden rondkijken, en dan zouden zeggen dat ze dat eventueel wel wilden doen. “Maar als gij wilt, doet gij het maar.” “Nee, als gij het graag doet….”’
‘Wanneer ben je nog eens in Antwerpen?’, vroeg de stem aan de telefoon. Ik stond in een pashokje kleren te passen en had toch maar besloten om mijn gsm op te nemen. Het was de toenmalig hoofdredacteur van Gazet van Antwerpen, waarmee ik in een nogal lang aanslepende sollicitatieronde zat. Na een examenronde, een gesprek en een proefopdracht, had ik het ondertussen wel gehad met die procedure.
‘Niet dit weekend, maar het weekend erna’, antwoordde ik kort. ‘Hmm, het zou door de week moeten zijn. De personeelsdienst moet er namelijk ook bij zijn’, zei hij. Toen pas drong het door. ‘Ben ik dan aangenomen?’ Er volgde een ‘ja’. Vreemde manier om die boodschap over te brengen, vond ik. Misschien wel typisch Vlaams.
Ik had een halfjaar in Antwerpen gewoond voor mijn studie, maar was daarna in Amsterdam beland. Na een stage bij Het Parool kon ik daar met een tijdelijk contract beginnen om een collega te vervangen die met zwangerschapsverlof was. In de zomer van 2003 liep dat contract af. Verlenging zat er niet in, want Het Parool was net uit PCM gestapt en een kwart van de redactie was ontslagen. En omdat ik liever op een redactie werkte dan op een zolderkamer te freelancete, en omdat Antwerpen een geweldige stad is waar ook nog eens een leuke man woonde, besloot ik daar te solliciteren toen ik die vacature voor Gazet van Antwerpen zag.
Mijn collega’s vonden het wel een beetje raar, zo’n Nederlandse collega. Maar ik kon wel op sympathie rekenen. Ook omdat ik dapper naar de haven trok om een reportage te maken met havenarbeiders –die zelfs voor de gemiddelde Antwerpenaar moeilijk te verstaan zijn – en terugkwam met een verhaal. Een collega die me op haar verjaardag had uitgenodigd, stelde me zo aan haar moeder voor: ‘Mam, dit is Maaike. Het is een Hollandse, maar het is een toffe.’ Het was bedoeld als compliment, maar die geeft wel aan hoe veel Vlamingen (zeg nooit Belg tegen een Vlaming) naar Nederlanders kijken. Een beetje zoals Nederlanders naar de Britten in Amsterdam kijken. Met dank aan vrijgezellen die schreeuwend door de stad lopen en dronken tegen de kathedraal pissen.
Zelf moest ik op de redactie vooral aftasten hoe direct of assertief ik kon zijn zonder iemand te beledigen of betweterig en streberig over te komen. In het begin riep ik bij ieder leuk idee op een redactievergadering: ‘dat wil ik wel doen’, terwijl veel collega’s eerst een stilte zouden laten vallen, even zouden rondkijken, en dan zouden zeggen dat ze dat eventueel wel wilden doen. ‘Maar als gij wilt, doet gij het maar.’ ‘Nee, als gij het graag doet….’ Gelukkig zijn journalisten assertiever dan de gemiddelde Vlaming, maar het was geen ongebruikelijke conversatie.
Het contact met politici of andere belangrijke figuren die je als journalist nog wel eens nodig hebt, bleek veel makkelijker dan in Amsterdam. Het gsm-nummer van toenmalig burgemeester Job Cohen was een van de best bewaarde geheimen van de stadsredactie van Het Parool. Maar toen ik Antwerps burgemeester Patrick Janssens eens nodig had voor een reactie, gaf zijn woordvoerster meteen zijn nummer door met de boodschap dat ik hem wel even op zijn mobiele telefoon kon bellen. Ook de ministers bellen gewoon terug op je gsm als hun woordvoerder dat beloofd heeft. De meeste mensen kunnen zich niet voorstellen hoe gelukkig dat een journalist kan maken. Zeker een halfuur voor een deadline.
Als Nederlandse journaliste moest ik zeker in het begin nadenken over mijn taalgebruik. In principe staat er geen dialect in de krant, en zou je dus precies hetzelfde moeten kunnen schrijven. Maar in de praktijk zijn sommige woorden toch ‘te Hollands’ en is er een verschil tussen algemeen aanvaard Vlaams en dialect. In mijn artikelen werd ijscoboer snel vervangen door ijskar. En schoonmaakster werd poetsvrouw, de geaccepteerde variant van het dialectwoord kuisvrouw.
Toen ik net was begonnen was de heraanleg van de ring een belangrijk onderwerp want heel Antwerpen en iedereen die langs de stad moest, zou een jaar lang in de file staan. Iedereen sprak over de werken aan de ring, zelfs in de officiële communicatie. Ik had nooit van de werken gehoord maar gebruikte het dan ook maar in mijn artikel. Een oudere eindredacteur kwam me vriendelijk uitleggen dat het in correct taalgebruik wel de wegwerkzaamheden aan de ring moest zijn. En als ik het niet begreep, dat ik het dan altijd in de Dikke Van Dale kon opzoeken.
Er bestaat ook een categorie woorden waar gewoon geen algemeen Nederlands woord voor bestaat, zoals sluikstort. Afval dat op straat wordt gedumpt, om zo te ontsnappen aan de officiële vuilniszakken van de stad Antwerpen die geld kosten. Ook een veel te mooi woord om niet te gebruiken. Ambiance is nog zo’n woord dat ik graag gebruik omdat de klank de betekenis al uitdrukt. En de term onze noorderburen vond ik om persoonlijke redenen dan weer leuk om af en toe in een tekst te wurmen.
Ooit schreef ik een artikel over de populariteit van onze noorderburen in Antwerpen, naar aanleiding van het stijgend aantal Nederlandse toeristen in de stad. De man van de toeristische dienst die ik sprak vond dat je een boek kon schrijven over Nederlanders. Die vroegen naar de Flamingostraat en dan vonden ze het logisch dat hij wel begreep dat ze de Pelikaanstraat bedoelden. Of dat het doktercafé waar ze naar op zoek waren, eigenlijk Café des Arts heette. Een café-uitbater – nog zo’n mooi woord – vertelde dat er altijd Nederlanders zijn die grappig willen zijn, en dat ze die in zijn café de Bassie en Adriaans noemen. Genoeg leuke anekdotes voor een artikel over Hollanders dus. Het werd meteen mijn coming out: de eindredacteur van dienst zette bij mijn naam onder het stuk tussen Maaike en Floor tussen haakjes het zinnetje: inderdaad, ook een Hollander. Vanaf dat moment wist iedereen dat de Gazet een Nederlander in dienst had.
De eerste weken leek het alsof ik tien keer per dag de vraag moest beantwoorden waarom een Hollandse voor Gazet van Antwerpen werkt. Dat werd minder toen ik – onbewust eigenlijk – een beetje Antwerpser begon te praten. In het begin greep ik trouwens automatisch terug naar plat Amsterdams als ik op straat jongeren aansprak voor een reportage. Niet echt handig, maar ook dat leerde ik snel af. Nu vragen mensen me nog wel eens waar ik vandaan kom, want ze horen mijn Nederlandse accent meteen. Maar dan zeggen ze erbij: ‘Toch van onder de rivieren?’. Op een toon van: dat stukje Nederland is nog net te doen. Als ik dan antwoord dat ik uit de buurt van Utrecht kom, volgt er meestal een vriendelijk knikje. En meestal zegt die gesprekspartner snel iets over dat hij of zij wel graag eens een weekendje naar Nederland gaat, of dat de kwaliteit van de restaurants daar de afgelopen jaren enorm verbeterd is.
En dat is misschien nog het vervelendste: die eeuwige clichés over de Hollanders te moeten aanhoren. De gierigheid, de culinaire barbarij om te lunchen met een broodje en een glas melk, pisbier Heineken. Ik ben zelf de eerste om er een grap over te maken als dat zo uitkomt. Zelf een domme grap maken, blijft leuker dan er om één van iemand anders te moeten lachen. Vlamingen die in Nederland wonen, vertellen me altijd dat ze er gek van worden dat Nederlanders hun ‘taaltje’ altijd zo ‘schattig’ vinden. Ik begrijp ze. (Al vragen ze er soms ook om als ze de Amsterdamse Wallen zelf de Walletjes gaan noemen.) Maar uiteindelijk mogen wij niet klagen, zij niet en ik ook niet. Nederlanders en Vlamingen zijn best lief voor elkaar. Alles beter dan een Duitser in Nederland denk ik altijd maar.
——-


Praat mee