Rubrieken – Collega's en communities
Burgerjournalistiek: waardevol of niet?
woensdag 22 april 2009
Het kon haast niet anders, of de discussie over burgerjournalistiek in het Parool Theater op 20 mei in Amsterdam, ging alle kanten op en zorgde voor spraakverwarring. Iedereen – panel en publiek – leek iets anders te verstaan onder de term ‘burgerjournalistiek’, sterker: ook het woord ‘journalistiek’ bleek voor meer dan één uitleg vatbaar. Zo leek zelfs een leerling van de School voor Journalistiek in Utrecht ‘journalistiek’ op één lijn te stellen met wat hij formuleerde als ‘op internet gaan’. En het enige verschil tussen professionele en ‘burger’ journalistiek was voor hem het feit dat je er al dan niet geld mee verdiende.
Hans Berkhout, journalist bij de Twentsche Courant Tubantia, verantwoordelijk voor dorpspleinen.nl en – in zijn woorden – ‘de enige journalist in Nederland met de titel manager burgerjournalistiek’, had de term indertijd uitgevonden om aan het nog ergere user generated content te ontkomen. ‘Burger’, ja – zoals militairen ‘burgers’ onderscheiden van hun eigen ‘kaste’. Maar ‘journalistiek’? Met wat dat veronderstelt aan hoor en wederhoor, feiten checken, duiden en in een context plaatsen? Nee, driewerf nee, merkte Berkhout steeds weer bij dorpspleinen.nl. En de journalisten in het panel – Ludo de Boo, nu uitgever Reed Business, en ondergetekende, gespreksleidster – waren het daar roerend mee eens.
De zaal – die grotendeels bestond uit studenten journalistiek, plus enkele soms zeer gespecialiseerde bloggers – dacht daar anders over. Ook panellid Irene Costera Meijer, hoogleraar journalistiek aan de VU, was het niet met de journalisten eens. Zij vindt dat alle ‘burgerjournalisten’ – waaronder bloggers en vloggers, deskundigen op een bepaald gebied, mensen die om uiteenlopende redenen berichten plaatsen op allerlei websites, tot en met ‘reaguurders’ – een waardevolle aanvulling leveren op de professionele journalistiek. En journalisten moeten die bijdragen niet beoordelen op de gebruikelijke, journalistieke criteria en zeker niet in termen als ‘kaf’ en ‘koren’. Want wat is ‘waar’ en wat niet? En wie beoordeelt dat?
Journalistiek, betoogde ook docent Jaap Stronks, moet tegenwoordig rekening houden met sociale netwerken als Twitter, Hyves, Facebook, LinkedIn of Plaxo, maar ook met ‘burgerjournalistieke’ sites als nieuwslog of geenstijl en al die brokjes en stukjes en in de ogen van professionele journalisten ‘subjectieve’ bijdragen vormen samen een geheel van journalistieke bronnen waaruit je kunt en zelfs moet putten.
Ook vanuit de zaal vertelden mensen over hun blogs – waaronder één over de tijgermug en één over Barcelona, die onderling al contact bleken te hebben gehad. Eén jongen zei dat hij alleen op vakantie een blog bijhield voor zijn familie. Weer iemand anders vroeg zich af, verwijzend naar een (kranten!) artikel in het FD over de problemen van Amerikaanse dagbladen, vroeg zich af of een tot dertig man/vrouw gereduceerde redactie samen met een netwerk van burgerjournalisten een recept kon zijn voor een (goede) krant/nieuwssite.
Meer in het algemeen probeerden ook de anderen in de toekomst te kijken. Die bleef echter nog erg mistig. En ook het koffiedik leverde zeer uiteenlopende voorspellingen op.
