Zij gaven hun leven voor de Surinaamse persvrijheid
De Decembermoorden van 8 december 1982 vormen een zwarte dag in de recente geschiedenis van Suriname. Vijftien critici van de militaire dictatuur onder leiding van Desi Bouterse werden standrechtelijk geëxecuteerd. Onder hen de vier journalisten Bram Behr, Lesley Rahman, Jozef Slagveer en Frank Wijngaarde en eigenaar André Kamperveen van radiostation ABC Suriname. Afgelopen december werd Bouterse eindelijk definitief veroordeeld. Nabestaanden van de gedode journalisten vertellen over drijfveren en werk van hun geliefde familieleden.
HENRY BEHR OVER ZIJN BROER BRAM: ‘IK VIER DE MENS BRAM EN WAT HIJ HEEFT BETEKEND VOOR SURINAME’
Bram Behr was een briljante violist, had een knobbel voor wis- en natuurkunde maar werd vooral bekend om zijn kritische journalistiek. Hij werd in 1951 in Curaçao geboren maar groeide op in Suriname. Hij was vanaf zijn jeugd iemand die zich verzette tegen ongelijkheid.
‘Hij ging als onderwijzer met een kano langs de verschillende dorpen aan de Cotticarivier om marrons (nazaten van gevluchte tot slaaf gemaakten, red.) te leren schrijven en lezen’, vertelt zijn broer Henry Behr. ‘Hij heeft les gegeven tot een dag voor zijn dood. Dat was Bram, een échte nationalist, onbaatzuchtig en heel nederig. Dat maakte hem op een heel bijzondere manier ook een soort revolutionair. Behalve dat hij scherp was in zijn observaties kon hij niet tegen onrecht.’
Omdat Behr goed kon onderzoeken en schrijven werd hij naast zijn baan als leerkracht ook onderzoeksjournalist. Hij publiceerde in kranten als ‘De Vrije Stem’, ‘de Ware Tijd’ en later in ‘De Rode Surinamer’, een blad dat hij zelf uitgaf. Zijn verhalen waren altijd kritisch over de vele corruptieve zaken van die tijd. Ook tijdens de dictatuur nam hij geen blad voor de mond. ‘Hij heeft ze hard aangepakt en dat bleef hij doen tot zijn dood’, zegt zijn broer.
Tekst loopt door onder de foto

Behr was tot ongeveer twee weken na de coup in 1980 voorstander van de staatsgreep. Volgens zijn broer heeft hij de militairen ook bijgestaan met een aantal ideeën. ‘Hij heeft ze kort voor de coup bezocht, toen ze nog aan het staken waren voor hun vakbondsrechten.’ In die dagen voerde Behr meerdere gesprekken en discussies met de militairen. Hij wees ze op hun enorme verantwoordelijkheden en dat ze geen domme dingen moeten doen. De poging van Behr om de militairen tegen te houden het radicale pad op te gaan bleef vruchteloos. ‘Toen begon hij heel kritisch over de militairen te schrijven.’
Met zijn boek ‘Terreur op Uitkijk’ (1981), waarmee hij de moord op een landbouwer door leden van de militaire politie blootlegde, maakte Behr de woede van de coupplegers nog groter. Hij onthulde dat de landbouwer onder dwang zijn gebied moest afstaan aan militairen zodat ze drugs konden verbouwen. Toen hij dat weigerde werd hij vermoord.
Behr publiceerde daarop een uitgebreid onderzoeksartikel met onthullende foto’s die zorgden voor de berechting van enkele militairen. ‘Marcel Zeeuw, toenmalig ondercommandant bij de militaire politie, heeft hem letterlijk gezegd dat het artikel zijn doodvonnis betekende’, vertelt Behr. Zijn broer werd op 7 april 1982 door militairen ontvoerd en zijn drukpers werd in beslag genomen.
Meerdere organisaties gingen als gevolg daarvan in protest. In september 1982 richtte een aantal organisaties aan de militairen een brief, opgesteld door advocaat Kenneth Gonçalves, de deken van de Surinaamse Orde van advocaten, die zelf ook een van de vijftien slachtoffers werd. Deze brief werd ondertekend door tientallen critici, onder wie Wijngaarde en Behr. Hun verzoek om ‘door middel van dialoog’ de democratie te herstellen werd niet ingewilligd.
Elk jaar op 18 januari, Behrs geboortedag, worden door de familie bloemen gelegd op zijn graf. Thuis is hij nog regelmatig onderwerp van gesprek. ‘Het is een enorme klap die je je niet kan voorstellen, vooral omdat je nergens verhaal kon halen. Maar ik heb in die tijd een boeddhistische levensstijl aangenomen. Dat heeft gemaakt dat ik de daders kon vergeven en er nu gemakkelijk over kan praten. Ik vier de mens Bram en wat hij heeft betekend voor Suriname.’
JOHN SLAGVEER OVER ZIJN BROER JOZEF: ‘EEN WOND DIE MOEILIJK TE GENEZEN IS’
Geboren uit christelijke ouders had Jozef Slagveer een strenge opvoeding. Zijn moeder had hem graag priester zien worden. Zijn vader daarentegen zag in hem een groot dichter en schrijver. Voor hem waren schrijvers mensen met ‘werkelijk talent’ dus motiveerde hij zijn zoon om dat pad te volgen. Volgens zijn broer John Slagveer was hij ‘een van de beste onderzoeksjournalisten. Die hebben we nu niet meer in Suriname. Zijn liefde voor Suriname was puur en onbegrensd.’
Dat is ook de reden waarom hij na zijn opleiding journalistiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam in 1967 terugkeerde naar zijn vaderland. Hij wilde het land ‘helpen opbouwen’. Hij werd voorlichtingsman bij het ministerie van Onderwijs. Vier jaar later stopte hij bij de overheid en begon hij onder meer zijn eigen persbureau Informa.
Tekst loopt door onder de foto

Slagveer behoorde destijds tot de vele Surinamers die de militaire coup van 1980 aanvankelijk toejuichten. Hij werd zelfs woordvoerder van het militaire regime. ‘Desi Bouterse en Roy Horb waren zijn goede vrienden’, vertelt broer John. Maar waarom die vriendschap bekoelde weet hij niet precies.
Voor zijn familie kwam Slagveer om onbekende redenen op de dodenlijst van Bouterse. ‘We hebben de brute moord op onze broer nooit kunnen verwerken. We hebben het wel een plaats gegeven en praten er verder niet over.’ Het is om die reden dat de familie zich ook nooit heeft ingelaten met het 8 decemberstrafproces, dat zich zestien jaar voortsleepte. ‘Daarom doen wij ook niet mee met activiteiten van de Stichting 8 december. Jozef is onze broer geweest, we weten wie hij was. Dit is een wond die moeilijk te genezen is.’
AISHEL BRADLEY OVER HAAR OOM LESLEY RAHMAN: ‘VERDRIETIG DAT ZIJN MOEDER DE VEROORDELING NIET MEER HEEFT MEEGEMAAKT’
Moedig, pienter, belezen en voorvechter van vrijheid. Zo staat journalist Lesley Rahman nog steeds te boek bij zijn nabestaanden. In 1973 begon hij op 19-jarige leeftijd zijn journalistieke carrière.
Rahman was als jonge journalist vooral geïnteresseerd in sociale en economische vooruitgang, armoedebestrijding en de ontwikkeling van achtergestelde groepen. Later werd hij ook actief in de vakbeweging en sloot hij zich aan bij C-47, een van Surinames grootste vakorganisaties. Hij schreef ook voor het vakbondsbulletin ‘Wrokoman Powa’ (arbeiderskracht). ‘Hij hield van werken voor de sociaal zwakkeren. Dat was eigenlijk zijn passie’, vertelt zijn nicht Aishel Bradley, die 1 jaar oud was toen de Decembermoorden plaatsvonden.
Tekst loopt door onder de foto.

Rahman was zeer belezen en heel breed georiënteerd in de Surinaamse politiek. Die kwaliteit maakte dat hij uitstak boven de rest en benoemd werd tot politiek redacteur van de kwaliteitskrant ‘de Ware Tijd’. Rahman kon zich als journalist en vakbondsman niet terugvinden in de brute machtsovername van de militairen in 1980 en uitte daarop openlijk kritiek.
‘Na de executie van de militair Wilfred Hawker, die een tegencoup probeerde te plegen, vroeg mijn oom aan Bouterse op de man af waarom hij een andere couppleger vermoordde terwijl hij zelf door middel van een staatsgreep aan de macht was gekomen’, illustreert Bradley zijn vrijmoedigheid. Deze vraag zouden ze Rahman nooit vergeven. Hij werd meteen bedreigd en sindsdien gevolgd door de militairen.
Toen hij die bewuste nacht werd opgehaald vertelde zijn moeder dat hij niet thuis was. Ze had een voorgevoel dat het niet goed zou aflopen. Maar door het luide gepraat werd hij wakker en kwam naar buiten. Rahman stelde zijn moeder gerust en zei haar dat hij zich van geen kwaad bewust was en zou gaan luisteren wat er was, om daarna ‘weer snel naar huis te komen’. Het was de laatste keer dat ze hem levend zag. De moord op Rahman heeft een diepe wond geslagen bij zijn familie. Zijn moeder verhuisde naar het buitenland en kwam jarenlang niet terug naar Suriname. Bradley: ‘Ik vind het verdrietig dat ze de veroordeling van de daders niet heeft meegemaakt’.
EDDY WIJNGAARDE OVER ZIJN BROER FRANK: ‘MIJN BROER ZAL VOOR ONS ALTIJD EEN HELD BLIJVEN’
Ruim 41 jaar later is de moord op Frank Wijngaarde nog altijd een zware klap voor zijn familie. In Paramaribo gaat broer Eddy Wijngaarde met gemengde gevoelens terug in de tijd. ‘Ik ben eigenlijk van kleins af met hem samen geweest. We sliepen in één kamer omdat wij van de zeven kinderen de jongsten waren.’ Interesse voor politiek en de sociaal-economische ontwikkeling van Suriname werden met de paplepel ingegoten. Mede daardoor koos Frank Wijngaarde voor studeren in Nederland aan de politieke en sociale faculteit van de UvA.
Wijngaarde was tijdens zijn studietijd in de jaren 60 in meerdere politieke bewegingen actief. Nog vóór de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 keert hij terug om aan de slag te gaan bij het ochtendblad ‘Suriname’, waarvan zijn opa en later zijn vader de uitgever was. Nadat ‘Suriname’ werd opgedoekt stapte Wijngaarde over naar radio ABC Suriname waar hij als journalist en politiek commentator aan de slag ging. Hij werd vanwege zijn kritische analyses een doorn in het oog van het militaire regime.
Tekst loopt verder onder de foto.

Een scherp verslag over de besteding van onder meer 500 miljoen gulden aan ontwikkelingshulp, die de militairen kregen van de Nederlandse regering, was een van de redenen waarom hij op de dodenlijst werd geplaatst. Dat verslag had zijn weg moeten vinden naar de journalist John Jansen van Galen, maar dat is niet doorgegaan.
‘Hij wist dat ze hem volgden want een paar maanden voordat hij werd vermoord was hij tot bloedens toe in elkaar geslagen’, vertelt zijn zoon. ‘Maar hij had een hart voor Suriname en kon de onderdrukking niet aanzien.’ Zijn drijfveer was: een vrij en democratisch Suriname met gelijke rechten voor iedereen. Wijngaarde was goed bevriend met garnizoenscommandant Roy Horb, mede couppleger en de machtigste man na Bouterse. Daarom geloofde hij niet dat hij zou worden vermoord. Horb kon hem echter niet langer beschermen. Omdat Wijngaarde ook een van de trekkers was van de journalistenkring die fel protesteerde tegen censuur en onderdrukking moest hij worden opgeruimd. ‘Mijn broer zal voor ons altijd een held blijven’, klinkt het overtuigend.
HENK KAMPERVEEN OVER ZIJN VADER ANDRÉ: ‘HET IS EEN LITTEKEN WAARMEE IK ZAL STERVEN’
André Kamperveen maakte in zijn jonge jaren furore als veelzijdige sporter in Suriname en de Caribische regio. ‘Hij was een selfmade man die door hard werken een plek in de samenleving had ingenomen. Een man met een enorm groot hart, een bijzonder mens’, zegt zoon Henk Kamperveen. Hij geeft nu leiding aan ABC Suriname dat door zijn vader is opgericht en door de militairen op 8 december 1982 in brand is gestoken. Ook radiostation Radika en het kantoor van ‘De Vrije Stem’ werden platgebrand.
In 1954 vertrok Kamperveen naar Nederland om te studeren aan het Centraal Instituut Opleiding Sportleiders. Drie jaar later keerde hij terug met de bedoeling sport in Suriname te bevorderen. Hij schopte het later tot onder andere bondscoach van het nationaal elftal, uitgever van een sportblad, voorzitter van de Surinaamse Voetbalbond en vicevoorzitter van de Wereldvoetbalbond.
Tekst loopt door onder de foto.

Eind jaren 50 was Kamperveen een van de eerste omroepers van Radio Apintie. Het was het begin van legendarische radiocarrière. Zijn koosnaam was ‘Ampie’. Op 6 december 1975, het jaar van de staatskundige onafhankelijkheid van Suriname, richtte hij zijn eigen ABC (Ampie’s Broadcasting Corporation) op. Dit station groeide uit tot tot een van meest kritische radiozenders van die tijd. ‘Dagelijks kwamen er tientallen mensen over de vloer met hun problemen en mijn vader was een soort ombudsman geworden’, vertelt zijn zoon.
Toen de militairen in 1980 de macht overnamen ondersteunde zijn vader dit zelfs. In 1981 werd hij onderminister en daarna minister van Jeugd, Sport en Cultuur, in een burgerregering van premier Henk Chin A Sen die onder de militairen fungeerde. Maar met de duidelijke afspraak dat zij na twee jaar zouden overgaan tot democratische verkiezingen. Toen duidelijk werd dat de militairen dat weigerden trad Kamperveen af als minister.
Door het kritische geluid van ABC werd hij op slag als vijand beschouwd en uiteindelijk ook op de dodenlijst geplaatst. ‘Elke keer als ik eraan denk hoe deze man die zoveel heeft betekend voor Suriname uit zijn huis is gerukt’, vertelt zoon Henk indringend. ‘Hoe hij met een geweer in zijn rug verklaringen moest lezen op beeld, vreselijk mishandeld is en daarna wreed doodgeschoten. Dan bloedt mijn hart nog steeds. Het is een litteken waarmee ik zal sterven.’
Rechtsorde Suriname
Met de definitieve veroordeling van ex-dictator Desi Bouterse, is de rechtsorde in Suriname hersteld. Dat vinden Henk Kamperveen, zoon van de vermoorde André Kamperveen en Nita Ramcharan, nestor van de Surinaamse journalistiek, en hoofdredacteur van de nieuwssite Starnieuws. Ze benadrukt dat de moord op de vier journalisten en een media-eigenaar een enorme dreun is geweest voor het vak.
Ramcharan: ‘Het heeft jaren geduurd voordat de pers langzaam weer de ruimte kreeg om vrij haar werk te doen. Dat we nu weer persvrijheid hebben is niet vanzelfsprekend. Mensen hebben er hun leven voor gegeven en daar moeten wij ons als journalisten bewust van zijn. We moeten weten op welke scherven dit alles is gebouwd.’


Praat mee