Persvrijheidslezing John Goetz: Waarom de NSA van journalisten houdt
Waarom de NSA van journalisten houdt? Is dat echt het thema? Zijn het juist niet de journalisten die de NSA het zwaarste jaar hebben bezorgd dat ze ooit hebben gehad? Ja, journalisten als Laura Poitras, Jake Appelbaum en Glenn Greenwald onthulden hoe de inlichtingenwereld op een manier werkt waar wij niet van wisten, en dat we allemaal veel meer in de gaten worden gehouden dan we dachten. Maar de onthullingen over de NSA hebben ook blootgelegd hoe onze wereld werkt – de journalistieke wereld, de wereld van bronnen en contacten, op een manier waar we niet van afwisten.
Het is nu een jaar geleden dat Edward Snowden van Hawaii naar Hongkong vluchtte, en ik denk dat we moeten kijken wat we van zijn onthullingen hebben geleerd om ons vak beter te begrijpen. Mijn stelling is dat we inderdaad in een nieuwe wereld leven, en dat de patronen en de manier waarop we ons werk doen, moeten worden veranderd. We hebben nieuwe verantwoordelijkheden.
Natuurlijk gebruiken de NSA en alle inlichtingendiensten journalisten al sinds het begin van de journalistiek en houden ze hen in de gaten om te weten te komen wat zij te weten komen. Ik ben bezig geweest met een documentaire voor de Duitse tv en we hebben onder andere research gedaan naar de tijd die Snowden in Hongkong zat. En het is fascinerend om te zien welke rol door de journalisten werd gespeeld die hem probeerden te vinden. Er was een grote horde journalisten die de hotels in Hongkong afliepen, die kampeerden voor het hotel waar ze dachten dat hij zat, die de ingang van de verschillende consulaten in het oog hielden. Het was een journalist die het eerst twitterde dat het MIRA Hotel in Hongkong de plaats was waar het eerste gepubliceerde interview met Snowden werd gehouden.
Maar ik denk dat we allemaal weten dat er anderen zijn die ons volgen om te weten te komen wat wij weten. Mijn stelling is dat we in een nieuwe situatie zitten. Ik zal een verhaal vertellen om dat uit te leggen.
Het gaat over een geval waar we in zijn algemene vorm allemaal bekend mee zijn.
Eerste bedrijf: Een jonge journalist – wie precies doet er nu even niet toe – die onthullingen wil doen over overtredingen door de autoriteiten van zijn land, Amerika in dit geval. Hij wilde het systeem onthullen waarmee de CIA mensen in Polen, Litouwen en Roemenië martelde toen Bush president was. Tot zover niets aan de hand.
De journalist wist hoe moeilijk het was om toegang te krijgen tot de bronnen voor dit verhaal. CIA-mensen praten vaak graag over het verleden, maar de geheime gevangenissen en de ‘uitleveringen’ waren een ander verhaal. Het was gevaarlijk en bedreigend om daar iets over te zeggen.
Dus begon de jonge journalist met wat sommigen van ons misschien ook zouden doen: hij zocht samenwerking met een vriend van hem, een man die als onderzoeker bij Human Rights Watch werkte. De onderzoeker bij Human Rights Watch richtte ook een bedrijf op dat gespecialiseerd was in onderzoek op het gebied van mensenrechten. Daar werkte hij voor advocaten die de belangen behartigden van mensen die door de CIA waren gemarteld.
De jonge journalist deed zich zelf ook als iemand anders voor. Hij zei dat hij een boek aan het schrijven was over de ontvoering van Abu Omar in Milaan, in 2003. Dat was een interessante stap. Omdat de Italiaanse aanklager Armando Spataro een groot onderzoek had gedaan was er veel bekend over de ontvoering door de CIA in Milaan en het was logisch dat je daar een boek over wilde schrijven. De journalist maakte een website waar stond dat hij een boek aan het schrijven was over de ontvoering van Abu Omar.
Dus als team hadden de onderzoeker van Human Rights Watch en de journalist eigenlijk vier identiteiten: onderzoeker, journalist, maar ook privédetective en schrijver. En afhankelijk van wie zij benaderden zetten ze een van deze petten op.
Het tweede bedrijf begint als de jonge journalist John Kiriakou benadert, een voormalige CIA-medewerker. Hij was de eerste persoon die banden met de CIA had, die in het openbaar had toegegeven dat de CIA mensen had gemarteld. Hij was op de Amerikaanse tv-zender ABC geweest en had verteld dat er bij Abu Zubaydah in Thailand gebruik was gemaakt van waterboarding. Kiriakou was betrokken bij de gevangenneming van Abu Zubaydah in 2002. Uiteindelijk werd bekend dat Abu Zubaydah in Thailand 83 maal was gewaterboard. Kiriakou was duidelijk de klokkenluider die de openbare discussie over martelingen op gang bracht. En zonder twijfel was dat de reden dat hij iemand was die zorgvuldig door de CIA in de gaten werd gehouden… en de reden dat de CIA de NSA om assistentie vroeg.
Met een serie e-mails slaagde de journalist – die zei dat hij een boek schreef – erin om Kiriakou bereid te vinden om hem te helpen met suggesties hoe hij aan achtergrondinformatie kon komen. Deze samenwerking resulteerde tenslotte in namen van undercover-medewerkers van de CIA die bij het waterboarden van Abu Zubaydah betrokken waren – allemaal in e-mails van Kariakou aan de journalist.
Derde bedrijf: We weten inmiddels dat Kiriakou inderdaad werd gevolgd. Hier wordt het een beetje lastig. In de aanklacht tegen Kiriakou staat dat de journalist de namen van de undercoveragenten van de CIA toen aan de onderzoeker van Human Rights Watch gaf, en dat deze die toen in zijn hoedanigheid van privédetective – onderzoeker – aan advocaten gaf die deze weer aan hun cliënten in Guantanamo doorgaven.
Het onderzoek van de FBI naar de lekken ging van start nadat er berichten verschenen dat gevangenen op Guantanamo die gemarteld werden foto’s te zien kregen van de CIA-agenten – bedenk wel, undercoveragenten – die door Kiriakou waren genoemd, en dat deze gevangenen werd gevraagd of zij zich die agenten konden herinneren.
Het is niet zo gek dat de Amerikaanse autoriteiten hier helemaal van over de rooie gingen.
Nieuw is dat ik geloof dat we uit Snowden kunnen concluderen dat het heel waarschijnlijk is dat de CIA en de FBI bij het onderzoek naar de lekken tegen Kiriakou hulp hebben gekregen van de NSA. Dat de NSA zijn e-mails volgde en toen de CIA de tip gaf om toestemming van de rechter te krijgen om Kiriakou’s e-mails te onderscheppen.
De korte versie van wat er daarna gebeurde is dat John Kiriakou nu een gevangenisstraf van dertig maanden uitzit wegens de onthulling van de namen van undercover-agenten van de CIA, dat hij zijn hele pensioen kwijt is en dat hij een boete van $250.000 heeft gekregen – om over de enorme juridische kosten nog maar te zwijgen. Kiriakou is de vader van vijf kinderen, waarvan drie jonger dan tien jaar.
Het belangrijkste bewijs dat is gebruikt om een vervolging tegen Kiriakou in te stellen was het e-mailverkeer met de jonge journalist.
Kiriakou zegt nu dat deze jonge journalist ‘hem tegen het einde van 2007 in een e-mail schreef dat hij “uw identiteit nimmer bij wie dan ook bekend zal maken”. Dat was een leugen. Hij dacht helemaal niet aan de bescherming van mijn identiteit ... De journalist was uiteindelijk gewoon een lafaard die alleen zichzelf probeerde te beschermen. Ik veracht hem diep.’
De journalist beweert dat hij Kiriakou’s naam nooit aan iemand heeft verteld.
Wat dit geval interessant maakt is dat ze misschien beiden gelijk hebben. Misschien heeft de journalist Kiriakou’s naam nooit aan iemand gegeven. Maar op de juiste manier beschermd hij heeft Kiriakou’s identiteit niet.
Wij hebben geen criterium of officiële definitie van journalistieke wanprestatie, zoals in het medische vak, maar ik vind dat we die wel zouden moeten hebben. Je kunt misschien zeggen dat de journalist in het geval Kiriakou niet beter wist.
Maar ik vind dat als we onzorgvuldig met elektronische communicatie omgaan en een bron daardoor vervolgd wordt, wij de journalistieke ethiek hebben geschonden. Sinds Snowden weten we beter.
We kunnen niet langer zeggen dat we niet wisten dat ons gebrek aan technische vaardigheden of de misschien achteloze manier waarop we voorzorgen hebben genomen, onze bronnen in ernstig gevaar hebben gebracht. Het is onverantwoordelijk om een bron die in gevaar is of wordt vervolgd in een e-mail vragen te stellen.
Vooral omdat er manieren zijn om dit probleem te omzeilen. Hiervoor moeten we teruggaan naar eeuwenoude journalistieke technieken. We kunnen mensen ontmoeten. We kunnen een wandeling met ze gaan maken. Door onze smartphone op kantoor te laten als we ze ontmoeten, kunnen we ze laten zien dat we aan hun veiligheid denken. Snowden adviseert ons zelfs dat we onze smartphones in de ijskast moeten leggen.
Ondanks tegengestelde berichten is versleuteling effectief. Ik heb dit persoonlijk van Edward Snowden gehoord toen ik hem in Moskou opzocht. Je hoort veel mensen zeggen dat we onze elektronische berichten niet hoeven te versleutelen omdat ons leven zo saai is dat niemand in onze miezerige details is geïnteresseerd. Maar we hebben het hier niet over onszelf. We hebben het hier over de mensen die we moeten beschermen.
We hebben het hier over inlichtingendiensten die onze e-mailcontacten en onze zoekopdrachten niet gebruiken om ons te bespioneren, maar om aanwijzingen te vinden wie er iets aan het zeggen is. Kiriakou was misschien een heel duidelijk geval, maar onze gegevens zullen soms alleen maar als begin van ander onderzoek dienen. In onze tijd is versleuteling een kwestie van journalistiek netjes met elkaar omgaan.
Geloof mij, als ik met PGP, Tor en een versleuteld chatprogramma als Jabber overweg kan – dan kan iedereen dat.
We zullen regelmatig bronnen ontmoeten die het niets uitmaakt, of die te weinig van de gevaren weten en daarom bereid zijn om in e-mails over gevoelige zaken te spreken. Als dat het geval is, is het onze taak om ze op de gevaren te wijzen.
Ik denk dat we in de komende jaren nieuwe methodes moeten leren hoe we om onze bronnen te beschermen onze sporen moeten wissen. Wat moeten we doen als een bron ons een gevoelig document geeft, een bron met wie we op de een of andere manier elektronisch verbonden – metadata – zijn geweest? Hoe beschermen wij die? Misschien betekent het dat we zelf metadata moeten creëren door contact op te nemen met andere waarschijnlijk lijkende informatiebronnen. De door die andere contacten gevormde metadata vormen een rookgordijn en daarmee helpen we de echte bron.
Het zal in elk geval betekenen dat we onze bronnen vaker dan ooit tevoren persoonlijk ontmoeten. Het betekent dat we op nieuwe manieren contact leggen: misschien op een conferentie, na een toespraak, en dat we nooit elektronisch met iemand contact onderhouden.
Ik zie Encryptië graag als een land. Het is een bevrijd gebied. Het is een vrije ruimte. Kom het bezoeken. Het heeft ook de unieke eigenschap dat je het uit kunt breiden, dat je het groter kunt maken, speciaal als je journalist bent.
Ik denk dat we allemaal een foto van John Kiriakou op ons computerscherm moeten hangen. We moeten aan hem blijven denken en niet vergeten hoe door onze roekeloosheid iemand anders in de gevangenis kan belanden.
Deze lezing werd vrijdag 2 mei uitgesproken door onderzoeksjournalist John Goetz in de Rode Hoed in Amsterdam, ter gelegenheid van de Internationale Dag van de Persvrijheid op 3 mei. De lezing werd in het Nederlands vertaald door Hans Moerbeek.


Praat mee