Deze site wordt sinds 25-9-2009 niet meer bijgehouden. Voor actuele informatie kunt u terecht op www.villamedia.nl

Achtergronden

‘Niet links, niet rechts, gewoon journalist’

woensdag 26 augustus 2009

Vierenveertig jaar zit Rimmer Mulder (1948) in het vak, waarvan de helft als hoofdredacteur bij de Leeuwarder Courant. nu vertrekt hij, maar niet zonder weemoed. ‘Ik merk het ook aan collega’s die gestopt zijn: het is wennen. Dat hier straks iemand anders zit…’

Rimmer Mulder bedrijft journalistiek zoals hij ademt. Hoor en wederhoor, check and countercheck spreken voor hem vanzelf. Daarom ergerde het hem ook dat de internetheffing, voorgesteld door de commissie-Brinkman waarvan hij deel uitmaakte, zonder nadenken werd weggehoond door de internet community.

Hoe moet het nu verder?

‘De minister neemt onze voorstellen heel serieus en ik denk dat hij veel dingen overneemt. Er moest geld komen voor innovatie. Waar haal je dat vandaan? Bij de veroorzaker van de problemen: internet. Dat heeft ook iets opvoedends. Mensen moeten beseffen dat er gewerkt is voor al dat nieuws waarvan ze gebruik maken op internet. Dat is niet gratis.

Wat ons een beetje verbaasde is dat al die internetfora tekeer gingen zonder te weten waar het over ging. Het geld is niet voor kranten, zoals iedereen lijkt te denken, het is voor innovatie. Misschien gaat het wel allemaal naar NU.nl.

Iedereen is het erover eens dat de analyse klopt, maar het is verdraaid moeilijk om een oplossing te vinden. Ikzelf denk dat je serieus moet bekijken hoe de overheid de journalistiek kan steunen.

Dat de publieke omroepen overheidsgeld krijgen – zo’n 850 miljoen – vinden we volstrekt normaal. Voor kranten is het bijna een taboe, terwijl wij als commissie menen dat, als je ’t erover eens bent dat de journalistiek een belangrijke publieke functie vervult, de overheid waarschijnlijk meer zal moeten doen.’

In de regio is de nood het hoogst. ‘Daar heb je twee belangrijke journalistieke centra, de regionale krant en de omroep. Dan ligt het voor de hand dat die twee gaan samenwerken. Als dat niet lukt, ziet ’t er voor de journalistiek in de regio niet goed uit.

Ook de omroepen krijgen het in de toekomst moeilijker dan ze nu misschien nog denken. Het kijkgedrag verandert, vaste patronen verdwijnen. De beste tijd voor reclame op televisie wordt steeds moeilijker te bepalen. Bij de landelijke omroep gaan op den duur dezelfde problemen spelen als bij de regionale. Als je de geldstroom dan dankzij de samenwerking wat kunt verleggen van de omroep naar de dagbladen, hoef je niet heel principieel te zijn. We hebben pragmatisch gedacht, want er is in Nederland geen groot draagvlak voor massieve steun aan de dagbladpers.’

Het is urgent om ‘snel de krachten te bundelen’, anders dreigt de teloorgang van de regionale journalistiek, waarschuwt Mulder. ‘Met name in Wegenerland heb je heel weinig journalisten voor verschillende gemeenten. Voor een praatje met de secretaris op het gemeentehuis moet je mensen en tijd hebben. Dat is meteen mijn antwoord op David Montgomery en zijn ‘contentmanagers’ (DJ nr. 13, 31.07.09). Om die content te maken, heb je mensen nodig die met hun notitieblok of opnameapparatuur het veld intrekken.’

Ook bij de regionale kranten dalen de oplagen, ondanks de sterke band met de lezers. De Leeuwarder Courant is in acht jaar 20 procent lezers kwijtgeraakt.

‘Het Friesch Dagblad een kwart. Niet omdat meer abonnees dan voorheen bedanken voor de krant. Er is te weinig instroom. Mensen onder de dertig nemen geen abonnement. Er is wel gezegd: als mensen ouder worden, komen ze bij hun verstand. Maar dat is niet zo, dat zie je ook in buitenlandse onderzoeken. Dat heeft te maken met het enorme aanbod aan informatie, maar ook met andere fundamentele veranderingen. Mensen gaan moeilijker lange verbanden aan: de zapcultuur. Vroeger, als je trouwde, had je een dubbel stel lakens en een krant. Dat is niet meer zo.’

Een groot struikelblok voor de kranten is ook de distributie, stelt het rapport van de commissie-Brinkman.

‘Als de dagbladen gezamenlijk één distributiebedrijf zouden opzetten, zou dat meer dan 30 miljoen besparen. De Telegraaf kan best bezorgd worden door de jongen die het Dagblad van het Noorden rondbrengt. Als je dan ook kans ziet om de overcapaciteit in de drukkerij te saneren, kun je nog eens tientallen miljoenen besparen. Hoe meer de sector zelf doet, hoe makkelijker het voor de overheid is om bij te springen. Dat gebeurt bij meer sectoren, kijk naar de banken.’

En dan is er ’t probleem dat mensen inmiddels gewend zijn aan gratis nieuws…

‘In Amerika begint men zich te realiseren: wat hebben we aangericht? Je moest op internet zijn, heette het, en zoveel mogelijk weggeven, daarmee kreeg je extra bereik… Maar dat additionele bereik valt tegen, de geldstromen zijn te verwaarlozen en door de recessie zijn ze ook nog gehalveerd.

Waar we ons ook op verkeken hebben, is het gemak waarmee nieuws op internet wordt verspreid. Soms zet je iets online, echt eigen nieuws, en binnen een uur staat het overal. Soms ga je er dan achteraan: “Weet u wel dat u het auteursrecht schendt?” Trouw is daarmee bezig. Het levert geen miljoenen op, maar het besef dat nieuws niet gratis is moeten we veel consequenter uitdragen.

De teneur van het rapport van de commissie-Brinkman is: we zien een probleem, we denken dat we dat met een aantal maat¬regelen kunnen oplossen, maar of het dan over is kunnen we niet garanderen. Misschien moeten we naar een ander bestel waar de overheid kosten overneemt…’

Met veel garanties…

‘Ja, maar ik ben niet zo bang. Het is de traditie niet in Nederland dat een overheid zich met inhoud bemoeit. Dat wordt ook meteen afgestraft. Maar je moet ze de gelegenheid ook niet geven. Het moet wel goed afgeschermd worden met een redactie¬statuut, enzovoorts.’

Maar vraag je aan één kant niet steun voor een soort organisatie die niet meer van deze tijd is?

‘Het gaat niet om het in stand houden van kranten, maar van de journalistiek. En als er andere middelen zijn om informatie te verspreiden, moeten we daar gebruik van maken.’

Mulder wijst door het raam naar de drukkerij: ‘Feit is dat van de kosten voor de krant 45 procent dáár zit, in dat ijzer, in die busjes, in de jongens en meisjes die de krant bezorgen. Als je dat eruit zou halen, krijg je een heel ander kostenbeeld. Maar op dit moment is er geen alternatief.’

De rol van de hoofdredacteur heb je herhaaldelijk aangekaart. Sommige hoofdredacteuren zijn teveel manager, zei je…

‘We hebben ons, denk ik, te makkelijk laten imponeren door de Nijenrode-types met hun spreadsheets. Het is goed dat de hoofdredacteur betrokken is bij het bedrijfsbeleid, maar het primaat moet bij de journalistiek liggen. Want ook de uitgever is geen courantier meer. Dan moet de hoofdredacteur laten zien dat de journalistiek op de voorgrond staat en daar zijn status aan ontlenen. Misschien is het wishful thinking, maar ik heb ‘t idee dat het weer die kant opgaat. In elk geval moet het. Opsporen, voorgeleiden en beoordelen van feiten, dat moeten we vooral blijven doen. Dat is journalistiek. We hebben een vak dat waarde heeft en dat moeten we ons niet laten afpakken.

Bovendien: niet alle directeuren waren succesnummers. Kijk naar Mecom. Montgomery is als zakenman gewoon mislukt. Hij zou in heel Europa kranten uitgeven en winstgevend maken, onder andere door succesvolle internetsites. Daar is niets van terecht gekomen. Montgomery zoekt nu wanhopig naar een ander verdienmodel. Hij zou moeten zeggen: “Sorry, ik heb me vergist”.’

Je hebt veel over media geschreven en met name over de ethische kant.

‘Dat heeft altijd m’n belangstelling gehad. Als je de pretentie hebt dat journalistiek iets voorstelt in de samenleving, moet je bereid zijn die ter discussie te stellen en aan bepaalde normen te toetsen. Dan zie je dat internet bijna een verwoestende uitwerking heeft. Terwijl wij heel zorgvuldig dingen als namen uit de krant houden, staat alles op internet. De samenleving wordt er niet beter op als je alles in de openbaarheid brengt. Bij professionele journalistiek hoort ook een beroepscode, waar je op aangesproken moet kunnen worden.’

Maar geen wetgeving?

‘Nee. Om te beginnen moet je dan definiëren wie journalist is. Ik vind dat iedereen, ook iemand met een stencilmachine, zich journalist moet kunnen noemen. Wetgeving moet zo beperkt mogelijk zijn.

In het buitenland is veel meer wetgeving dan in Nederland. Zijn de kranten daar zo veel beter? Nederlandse kranten zijn vaak een toonbeeld van netheid, niet te vergelijken met wat in een Engelse tabloid kan. Dus ik denk: overheid, jullie hebben wel wat anders te doen dan wetgeving op te stellen voor de journalistiek.’

Ook niet voor het verschoningsrecht?

‘Nee, voor mij is het nu goed verankerd in de jurisprudentie, ook in het Europese recht. Als een officier daar nog eens z’n vingers aan wil branden, dan gaat hij z’n gang maar. Die jongens van De Telegraaf zijn ook zonder dat ’t in de wet stond op bevel van de rechter weer vrijgesteld.’

Weliswaar na twee dagen.

‘Ja, goed, maar als journalist moet je ook wat overhebben voor je vak… een klein beetje hardship mag wel. Maar Koen Voskuil, toen werkzaam voor Sp!ts, die in 2000 dagenlang tussen criminelen heeft gezeten omdat hij zijn bron niet wilde noemen, dat vind ik schande. Maar ook daar hoef je geen wet voor te formuleren, het apparaat moet zelf zien dat zoiets niet kan. Destijds heb ik wel gedacht: misschien moet ’t toch maar in de wet. Maar dit is gewoon een extreem voorbeeld. Waarschijnlijk was ’t een officier van justitie die iets tegen journalisten had en dacht: ik kan je laten opsluiten.’

Op een moment als dit zijn vergelijkingen tussen vroeger en nu haast onvermijdelijk. ‘De journalistiek is met de samenleving mee veranderd.’ Een voorbeeld: eens per jaar draait de wereld, althans Friesland, om het dorp Surhuisterveen en zijn wielerrondes. ‘Dan verlegt ook het bestuurlijk centrum van Nederland zich van Den Haag naar de tuin van Kamerlid Joop Atsma. Dit jaar waren daar de zangers Syb van der Ploeg (De Kast, red.) en Mirjam Timmer (voorheen Twarres, red.), “die sinds kort een paar vormen”, schreef onze verslaggever er tussen haakjes achter. We hebben nog nooit zoveel telefoontjes gehad. De hele pers… “Is het waar?” Dat is wel veranderd, die belangstelling voor het pure onnieuws…’

Ach, relativeert Mulder weer, ‘je moet ’t verleden ook niet romantiseren. Het vak is professioneler geworden. Bij het Friesch Dagblad lette je er heel scherp op dat de woordvoerder van de ARP erin stond, je waagde het niet dat weg te laten.’

Hoe hij zelf is veranderd in de loop der jaren, vindt hij ‘moeilijk te zeggen’. Maar over het vak raakt hij niet uitgepraat. ‘Dat moet ik straks ook afleren. Je moet je realiseren: bepaalde dingen, daar ga ik niet meer over. Ik merk het ook aan collega’s die gestopt zijn: het is wennen. Dat hier straks iemand anders zit…’

Maar nu mag het nog even. ‘Goede journalistiek blijft noodzakelijk. Mij wordt wel eens gevraagd: “Ben je links of rechts?” Dan zeg ik: nee, ik ben journalist. Nieuwsgierig blijven, altijd vragen: “Is het wel zo?” Is dat links? Ik weet het niet.’

Een onverschrokken Fries

Rimmer Mulder is geboren in 1948 in Drachten. Daar doorliep hij de Christelijke HBS en werd hij (1965) leerling-journalist bij het Friesch Dagblad. In 1968 maakte hij de overstap naar Trouw – en werd daarmee, in zijn eigen woorden, een ‘gastarbeider in Holland’. Hij zou dat achttien jaar blijven, zij het niet al die tijd bij Trouw, de krant die hem naar eigen zeggen wel het meest gevormd heeft. In 1981 ging Mulder naar de GPD, om in 1987 terug te keren naar Friesland, als adjunct-hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant. Een half jaar later al werd hij benoemd tot hoofdredacteur. Per 1 september gaat hij met de vut. Mulder wordt opgevolgd door Hans Snijder, tot dan toe hoofdredacteur van Omrop Fryslân.

Lovend. Zo spreekt iedereen, oud-collega’s en collega-hoofdredacteuren, over Mulder. ‘Vasthoudend’ wordt hij genoemd, ‘loyaal tot op het bot’, maar ook ‘humoristisch’. Niemand, maar dan ook niemand heeft iets negatiefs te melden – behalve (‘het mag niet alleen positief zijn’) dat hij de Leeuwarder Courant weinig heeft vernieuwd. Maar die kritiek wordt onmiddellijk gevolgd door prijzende woorden over zijn rol in de commissie-Brinkman.

Mulder is wel vergeleken met een lange-afstandsschaatser, of met Foppe de Haan en zelfs met Hendrik Algra, jarenlang (1935-1970) hoofdredacteur van het Friesch Dagblad, die in de oorlog elke medewerking met de bezetter weigerde. ‘Onverschrokken’ is nog zo’n predikaat dat Mulder wordt toebedacht.

Zo komt hij ook over: onverstoorbaar, licht afstandelijk, een noordelijk type, zonder dat opgewondene van sommige Randstedelingen – maar in geval van nood zal hij geen duimbreed wijken. Een kapitein met wie je een woeste zee op durft. Kortom, een ‘echte’ Fries – al is hij de eerste om dat te relativeren. Tongue in cheek.

Foto: Truus van Gog

Auteur: Jacqueline Wesselius
Tags: dagblad, innovatie

2 reacties

1. door Sent Wierda, freelance journalist, 27 augustus 2009, 15:09

Naast wie zou je in het vliegtuig willen zitten? Bij wie zou je in de oorlog willen onderduiken? Rimmer Mulder komt in beide gevallen zeker in aanmerking. En dat is heel bijzonder!

2. door Geert Wilkens, 27 augustus 2009, 18:48

De Nijenrode-types komen en de echte courantiers gaan. Wanneer zal de wal het schip keren? En voor Rimmer Mulder is nu de tijd gekomen om te vertrekken. Jammer voor de journalistiek, maar ik gun het hem van harte ...

Zoek in Achtergronden